Een brief komt op een donderdagochtend, zwaar

met vuil en stof. De ontvanger is een vrouw die

nooit haar vaders gezicht heeft gezien. Ze leest

het handschrift, herkent het van oude foto’s.

Het zegt dat hij nog leeft, ergens in de

restanten van de stad, waar de elektriciteit is

uitgegaan en de kansen zijn bevroren.

De stad is niet meer wat ze was. De lucht ruikt

naar roet en metaal, de straten zijn verlaten.

Iedereen draagt een masker of een jas met een

wapen. De regels zijn veranderd: niemand mag

buiten blijven als de zon ondergaat. Wie het

waagt, wordt gevangengenomen of gedood. De

vrouwen hebben de toegang tot de centrale

scholen genationaliseerd. Ze moeten zichzelf

leren lezen, schrijven, rekenen. De mannelijke

leiding heeft zich teruggetrokken naar de oude

gebouwen, waar ze wachten op iets dat nooit komt.

Ze vindt een map onder het bed van haar moeder,

ingeklemd tussen kranten van 1940. Er zit een

kaart bij, gekruist met rode lijnen. Een plek

aangeduid: de oude universiteit, nu een verlaten

kazerne. Ze neemt een mes en een fles water,

stapt de nacht in. De lucht is koud, de wind

loert. Ze hoort stemmen, maar ziet niemand. De

tijd is vertraagd, de dingen bewegen langzaam,

alsof ze allemaal wachten op iets dat niet komt.

In de kazerne vindt ze een deur met een code. Ze

probeert het nummer van haar vaders

geboortedatum. De deur gaat open. Binnen is een

ruimte vol foto’s, documenten, een klein bureau.

Een man zit er, met een sigaret in zijn mond.

Hij kent haar naam. Ze weet dat hij haar vader

is, maar hij zegt niets. Hij legt een brief op

tafel. Ze leest hem. Het zegt dat hij haar

moeder heeft verloren aan een ziekte die niemand

begrijpt. Dat hij haar had moeten beschermen,

maar dat hij niet kon. Dat hij nu probeert te

vechten tegen iets dat hij niet kan verklaren.

Ze wil hem vragen wie hij is, waarom hij niets

zei. Maar hij staat op, pakt een pistool en

richt het op haar. Ze weet dat ze moet vluchten.

Ze rent door de gang, hoort hem achter haar

roepen. De deur valt dicht. Ze hoorde geen schot.

Ze rent verder, de nacht in. De stad is stil. De

lucht is zwaar. Ze weet dat ze nooit meer

terugkomt. Ze weet ook dat ze nooit meer zal

weten wie ze echt is. Maar ze weet dat ze niet

alleen is. Iemand heeft haar gevonden. Iemand

heeft haar gevonden voordat ze het zelf kon.