De stad ligt in asch. De lucht is zwaar met rook

en stilte. Geen mensen, geen geluid. Alleen een

paar gebouwen staan nog overeind, als skeletten

van een verleden dat niet meer bestaat. Een

vrouw loopt door de straten. Haar voeten maken

geen geluid op het stof. Ze weet niet hoe ze

hier gekomen is. Ze weet alleen dat ze moet

blijven lopen.

In een oude kerk vindt ze een boek. Het is

geschreven in een taal die ze niet herkent, maar

de woorden vullen haar hoofd. Ze leest het en

begrijpt dat ze niet alleen is. Iemand heeft

haar hierheen gestuurd. Iemand die haar al jaren

volgt.

Ze hoort een stem. Niet uit de lucht, maar uit

het boek. De stem zegt dat ze moet leren om te

zien. Dat ze moet leren wat er onder de

oppervlakte zit. Ze probeert te ontsnappen, maar

de straten veranderen. Hetzelfde pad leidt naar

nieuwe pleinen, altijd dezelfde gebouwen, altijd

dezelfde stilte.

Ze ontmoet een man. Hij zit op een stoel in een

leeg café. Zijn gezicht is vervagen, alsof hij

nooit echt bestond. Hij zegt dat hij haar mentor

is. Dat hij haar heeft gecreëerd om iets te

vinden. Dat de stad niet echt is. Dat ze moet

kiezen: blijven of terugkeren.

Ze neemt het boek mee. De man verdwijnt. De stad

begint te vallen. Gebouwen storten in zichzelf.

Ze rent naar de uitgang, maar de weg is dicht.

Ze moet het boek openen. De pagina’s vullen zich

met beelden. Ze ziet haar eigen gezicht, jonger,

in een andere tijd. Ze ziet een andere stad, een

andere wereld. Ze ziet dat ze nooit echt vrij

was.

Het boek valt uit haar handen. De stad stort in.

Ze wacht tot het eind komt. Maar het eind is

niet het einde. Het is alleen een ander begin.

Ze weet nu wat ze moet doen. Ze loopt naar het

licht dat aan de horizon verschijnt. En ze weet

dat ze niet alleen is.