Het licht in de stad dooft voor de tweede keer
in drie maanden. De netwerken zijn uitgevallen,
en de machines die het leven lieten functioneren,
staan stil. De oude stroomleidingen zijn
verouderd, en niemand weet of ze ooit weer
opnieuw kunnen worden aangelegd. In het
ziekenhuis waar ze werkt, wordt er met kaarsen
gewerkt. De verpleegsters houden hun handen bij
elkaar om warmte te delen. Het is de derde nacht
zonder stroom.
Ze ontmoet hem op de markt. Hij draagt een jas
van gerafelde stof, en zijn gezicht is gespierd
door de wind. Hij noemt zichzelf de visionaire
dromer. Ze weet dat hij een technoloog was,
voordat alles veranderde. Toen de laatste
stroomuitval begon, was hij op zoek naar een
manier om het systeem te herstellen. Maar hij
verdween. Ze heeft zijn foto’s gezien, zijn
vingers die over de schermen gleden, zijn ogen
die leken te stralen van verwachting. Ze weet
dat hij nog leeft, ergens in de kelder onder de
stad, waar de oude generator nog steeds draait.
Er is een regel: niemand mag de stroom aanraken
zonder toestemming. De nieuwe wet verbiedt het
gebruik van elektriciteit buiten de centrale
installatie. Wie het probeert, wordt als een
bedreiging beschouwd. De politie heeft al drie
mensen gearresteerd die probeerden de stroom te
herstellen. Ze weet dat ze risico loopt, maar ze
moet hem vinden. Ze moet weten wat hij ontdekte.
De stroom is niet alleen een middel, maar een
verbinding. En als hij iets heeft ontdekt, kan
het de hele stad redden.
Ze stapt in de kelder. De lucht is dik, en de
muren zijn nat. Hier beneden is het donker, maar
er zijn lichtpunten. De oude generator bromt, en
de lichten flakkeren. Ze vindt hem in een kamer
achter een deur van metaal. Hij zit met zijn rug
tegen de muur, zijn handen op zijn knieën. Zijn
ogen zijn leeg, alsof hij al lang geleden is
gestorven. Ze zegt niets. Ze ziet dat hij iets
vasthoudt: een klein apparaatje, een soort
computer. Ze zegt niets. Ze weet dat ze dit niet
moet doen. Maar ze moet weten wat hij ontdekte.
Hij legt het apparaatje neer. Het is een
geheugenchip. Ze ziet dat het een code bevat,
een pad naar een nieuw stroomsysteem. Een
systeem dat niet afhankelijk is van de oude
netwerken. Een systeem dat vrij is. Ze weet dat
ze dit moet meenemen. Maar ze weet ook dat ze
hier niet veilig is. Er is een regel: wie de
stroom wil veranderen, moet zichzelf verbranden.
Ze zegt niets. Ze pakt het apparaatje en loopt
terug naar boven.
De volgende dag wordt ze gearresteerd. Ze wordt
meegenomen naar het centrale gebouw, waar de
leiders zitten. Ze zegt niets. Ze weet dat ze
zal moeten kiezen: het apparaatje verbranden of
zelf verbranden. Ze kiest voor het apparaatje.
Ze houdt het vast terwijl het vuur haar vingers
raakt. Ze voelt de pijn, maar ze zegt niets. Ze
weet dat ze niet alleen is. Iemand anders heeft
hetzelfde gedaan. Iemand anders heeft hetzelfde
gekozen. De stroom is geen zegen meer, maar een
lot dat iedereen verbindt. En ze is blij dat ze
het heeft gevonden.


