De stad ligt in puin. Het internet is dood.

Telefoons zijn verbannen. Mensen spreken niet

meer, alleen via geheime brieven die via een

illegale netwerk worden verspreid. Een jonge

vrouw, Anouk, vindt een vloeiblad met een

handschrift dat ze herkent van haar vader, die

tien jaar geleden verdween tijdens de opstand

tegen het nieuwe regime.

Ze begint te zoeken naar de bron van het bericht.

In een oude kelder vindt ze een verlaten

postkantoor, waar ze een stukje van een kaart

ontdekt. De kaart leidt naar een ondergronds

station dat ooit diende als verzamelplek voor

dissidenten. Ze ontmoet een man die zichzelf

noemt 'de mentor', maar die haar waarschuwt:

elke brief die wordt gestuurd, kan worden

teruggevonden. Er is een regel: geen enkel

bericht mag doorgegeven worden zonder dat het

wordt bevestigd door een tweede handgeschreven

brief.

Anouk weigert om te luisteren. Ze schrijft een

antwoord, zet het in een fles en gooit het in de

rivier. Twee dagen later verschijnt er een brief

bij haar deur, geschreven in dezelfde hand. De

mentor is er. Hij laat haar zien hoe het systeem

werkt: elke brief moet worden gecodeerd, en elke

code moet worden gedeeld met een ander. Als ze

dit niet doet, wordt hun gesprek beschouwd als

onwettig. De regels zijn duidelijk: geen contact

zonder bewijs.

Ze besluit om het spel mee te spelen. Ze leert

het coderen, maakt een nieuw netwerk, en begint

andere mensen te bereiken. Maar het systeem

heeft een wraakmechanisme: wie te veel zoekt,

wordt gevonden. Een avond later wordt Anouk

gearresteerd. Ze wordt meegenomen naar een

gebouw waar alle brieven worden vernietigd. Ze

ziet haar eigen brief in een vuurhaard. De

mentor staat erbij, maar zegt niets. Ze wordt

vrijgelaten, maar haar handen zijn verbrand door

het vuur. Ze kan niet meer schrijven. De brief

is verloren.

De stad blijft stil. Geen brieven, geen stemmen.

Maar in een hoek van de rivier ligt een fles met

een nieuw bericht. Het is geschreven in een

andere hand, en het zegt: "Je bent niet

alleen."