De zon stond laag boven de ruïnes van Amsterdam
toen hij de laatste brief pakte. De lucht was
zwaar met rook en een vreemd geluid, alsof de
stad zelf ademde. Het was 2047, maar niemand
wist precies hoe lang het al zo was. De tijd had
zichzelf opgeslokt. Dagen verliepen in uren,
uren in weken. Geen enkel apparaat kon nog de
tijd meten. Alleen de mensen wisten nog wat er
moest gebeuren.
Hij had geen naam meer. Alleen een
identificatiecode: M17. Een getraumatiseerde
overlevende, uitgekozen om een boodschap te
dragen. Het was niet zijn keuze. De regels waren
duidelijk: wie tijdsgeschonden was, moest naar
de laatste postkantoor blijven. Zelfs als het
leeg was. Zelfs als niemand meer wist hoe je een
brief moest schrijven.
De brief was van zijn zus. Ze was verdwenen in
de chaos na de Eerste Tijdswisseling. Hij had
nooit kunnen weten dat ze leefde. Tot het moment
dat hij de brief ontving, geschreven in een
handschrift dat hij herkende. De envelop was
vuil, maar de inkt glansde alsof het bloed was
geweest. Er stond alleen een adres op: De Oude
Wereld. Een plek die niemand meer kon vinden.
Hij liep door de straten, waar huizen op hun kop
stonden en bomen groeiden door muren heen. De
mensen hadden geleerd om te leven met het
onvoorspelbare. Sommigen gebruikten de
tijdssprongen om te vluchten, anderen om te
jagen. Maar niemand wist waar de grens lag. De
regel was: geen terugkeer naar het verleden.
Niet zonder toestemming. En hij had geen
toestemming.
Toen hij bij het adres aankwam, was het een oude
bibliotheek. De ramen waren gesloten, de deur
open. Binnen stond een man, gekleed in een jasje
van de jaren veertig. Hij zag eruit alsof hij
nooit was vergeten wat tijd was. "Je bent te
laat," zei hij. "Maar goed dat je
gekomen bent."
De man gaf hem een kaart. Het was een kaart van
Nederland, maar met lijnen die niet bestonden.
"Deze is niet van deze tijd," zei hij.
"Ze is
van de tijd voor de tijdsverandering. Je moet
haar brengen naar de juiste plek. Maar wees
voorzichtig. De tijd wil je niet laten gaan."
Hij liep terug door de straten, de kaart in zijn
hand. De tijd had hem gekozen, maar hij wist nu
dat het geen keuze was. Overleven betekende niet
alleen te blijven leven, maar ook te weten wat
je moest verliezen. Hij had zijn zus verloren.
Nu moest hij kiezen: de waarheid delen, of de
tijd laten verder vallen.
Toen hij de kaart in de oude postkantoor legde,
verscheen er een nieuwe brief. Deze keer was het
niet van zijn zus. Het was van hemzelf. En het
stond erop: "Je hebt gedaan wat je moest
doen."


