Een zondagmorgen in 1942, op het platteland bij

Utrecht. De lucht ruikt naar aarde en rook. Een

jonge man, geen naam gegeven, staat voor een

oude boerderij. Zijn handen trillen. In zijn zak

zit een briefje met een datum: 1987. Hij

herinnert zich niets na 1940. Alleen dat hij

hierheen moest komen.

De boerderij is leeg, maar er hangt een geur van

verbrand hout. Hij loopt naar de keuken. Op

tafel ligt een krant uit 1942. De kop zegt:

"Nederland onder invloed van Duitsland". Hij

ziet zijn eigen gezicht in de spiegel. Het is

jonger dan hij zich herinnert. Maar hij herkent

de ogen.

In de nacht hoort hij een geluid. Buiten, achter

de schuur, zit een meisje met donker haar. Ze

spreekt geen Nederlands. Ze wijst naar een oude

kist. Hij opent hem. Binnen ligt een klein

apparaat, gemaakt van metaal en glas. Het begint

te zoemen. Hij raakt het aan. De wereld draait.

Hij valt.

Wanneer hij wakker wordt, is het 1987. De stad

is anders. Gebouwen zijn hoger, straten breder.

Hij loopt door een park. Iemand roept zijn naam.

Een vrouw met grijze haren. Ze zegt dat ze zijn

dochter is. Hij weet niet wie ze is. Ze laat hem

een foto zien: een jonge versie van hemzelf, met

een andere vrouw. Ze noemt haar naam. Hij

herinnert zich niets.

Hij zoekt naar het apparaat. In een winkel vindt

hij een oude krant. De datum is 1987. De kop

zegt: "Technologie die tijd kan

verstoren". Hij

ziet een foto van het apparaat. Hij herkent het.

Maar waar heeft hij het gezien?

In een laboratorium ontmoet hij een

wetenschapper. De man zegt dat het apparaat niet

bestaat. Dat het alleen in de herinnering

bestaat. De man legt een regel vast: als je een

tijdloos moment beleeft, verliest je verleden

zijn betekenis. Je wordt een stille getuige. Hij

moet kiezen: blijven in 1987, zonder verleden,

of terug naar 1942, waar niemand hem herkent.

Hij kiest voor 1942. De tijdloze kracht trekt

hem terug. Hij landt weer bij de boerderij. De

lucht ruikt naar aarde en rook. De krant ligt

nog steeds op tafel. Hij ziet zijn eigen gezicht

in de spiegel. Het is jonger dan hij zich

herinnert. Maar hij herkent de ogen.

Hij sluit de deur. De wereld blijft veranderen.

Hij blijft kijken. Hoopvol.