De archivaris leest een brief uit 1942,
geschreven door een vader die nooit is
teruggekeerd van de oorlog. De brief bevat een
adres in de oude wijk, waar niemand meer woont.
Hij gaat erheen, maar het huis is gesloopt. In
plaats daarvan vindt hij een grot onder de
straat, gevuld met kranten, foto’s en documenten
die bewijzen dat de stad in de jaren ’30 een
geheime organisatie had om Joden te helpen
ontsnappen.
Hij stuit op een schriftje met een code. De
eerste letters van de bladzijden vormen een naam:
"De Verborgen Mentor". Hij zoekt naar
de persoon
die deze code heeft nagelaten, maar iedereen
weet niets. Een oudere vrouw herinnert zich iets
over een man die in de jaren ’40 regelmatig kwam,
maar ze weet niet wie hij was. Ze geeft hem een
kaart met een locatie in het bos, waar een oude
kerk staat die al jaren gesloten is.
In de kerk vindt hij een kist met brieven van
mensen die geen spoor meer hadden. Elke brief
bevat een plek waar ze zijn verdwenen. Hij
begrijpt dat de mentor een netwerk van verborgen
mensen heeft geholpen, maar ook dat hij zelf een
rol speelde in hun verdwijning. De brieven tonen
dat de mentor een keuze moest maken: hen redden
of het land beschermen door hen te laten
verdwijnen.
Hij vindt een laatste brief, gericht aan hemzelf.
De schrijver zegt dat hij de mentor was, en dat
hij nu een nieuwe keuze moet maken. De brieven
moeten worden vernietigd, maar als ze openbaar
komen, kan het land worden veranderd. Hij
besluit ze te verbranden, maar de lucht raakt
rookdampen. Iemand ziet hem. De volgende dag
wordt hij gearresteerd onder verdenking van
sabotage.
Hij wordt vrijgelaten na een dag in de cel, maar
zijn leven is veranderd. De stad blijft zoals
het was, maar hij weet dat het verleden nooit
echt is verdwenen. De brieven zijn weg, maar de
keuze blijft.


