De kerk ligt verlaten op een eiland dat nooit op
kaarten staat. De muren zijn gescheurd door de
tijd, maar het altaar blijft intact. Een jonge
vrouw stapt naar binnen bij zonsondergang,
gevolgd door een man die niemand kent. Ze heeft
geen naam, alleen een briefje met een adres. Hij
houdt een foto van een kind vast, met een krans
van bloemen om de hals.
De lucht is zwaar. Het geluid van het water
buiten klinkt als een zang. De vrouw raakt het
altaar aan. De vloer trilt. Een licht gloeit
onder haar voeten. De man valt neer, zijn handen
op het marmer. Zijn ogen worden zwart. De vrouw
roept iets, maar er is niemand te horen.
De kerk begint te schudden. Een luid geratel
klinkt uit de muren. De vloek zegt dat de
erfenis moet worden gedeeld. De vrouw herkent
het symbool op het altaar: een kruis met een
ketting. Ze heeft het gezien in dromen. De man
wacht tot ze iets doet. Ze kan niet vluchten. De
lucht wordt dik, alsof de tijd zichzelf
vertraagt.
Ze legt haar hand op het altaar. De vloek trekt
haar in. Haar hersenen worden leeg. Ze ziet een
kind dat in het donker verdwijnt. Ze ziet een
man die de kerk verlaat, met een mes in zijn rug.
Ze ziet een vrouw die het altaar verlaat, met
een kind in haar armen. Ze ziet zichzelf. Ze
ziet hem. Ze ziet de plicht.
De man springt overeind. Zijn gezicht is bleek.
Hij zegt niets. De kerk stopt met schudden. Het
licht verdwijnt. De vrouw ziet dat de foto van
het kind nu leeg is. De man ziet het ook. Ze
lopen samen naar de deur. De kerk sluit achter
hen. De zee is stil.
Ze weten dat de vloek niet is verbroken. De
erfenis is overgedragen. De plicht is gedragen.
De kerk wacht op wie volgende komt.


