De geniale kluizenaar leeft al jaren alleen in

de bossen bij Utrecht. Zijn huis is gebouwd van

gesneden hout, met een raam dat nooit wordt

geopend. Hij heeft geen zin in mensen, maar hij

houdt van boeken en kaarten. Een avond, terwijl

hij een oude kaart bestudeert, hoort hij een

geluid aan de rand van het bos. Het is een vrouw,

gekleed in vodden, die op haar knieën ligt. Ze

ademt moeilijk, alsof ze net een schot gehoord

heeft.

Hij brengt haar naar binnen. Ze weigert te

praten, maar laat een klein rood stukje papier

zien. Het is een briefje met een naam: '

Marie'.

De kluizenaar herkent de handtekening. Het is

van een meisje uit zijn jeugd, dat verdwenen is

tijdens de oorlog. Hij denkt dat ze dood is.

Maar nu is ze hier, met een wond aan haar buik,

en een blik die niet meer van deze wereld is.

De volgende dag gaat hij naar de stad om hulp te

zoeken. Hij neemt een bus naar Den Haag, waar

hij een arts vindt die hem niet vertrouwt. De

arts vraagt waarom hij een vreemde vrouw

meeneemt. De kluizenaar zegt niets. Hij betaalt

met geld dat hij in de bossen heeft verstopt,

onder een steen. De arts maakt een

incidentrapport, maar het wordt nooit ingediend.

Iemand moet het hebben gezien.

Terug in het bos, de vrouw begint te spreken. Ze

zegt dat ze gisteren door een groep soldaten

werd aangevallen, die haar wilden vermoorden. Ze

herinnert zich niets van voor de oorlog. Alleen

dat ze ergens in het noorden van Nederland was,

bij een plek die 'De Stilte' heet. De

kluizenaar

herkent het als een oud landgoed dat na de

oorlog is afgebroken. Hij besluit erheen te gaan.

De vrouw wil mee, maar hij zegt dat het

gevaarlijk is. Ze blijft achter.

Op de dag van de reis, ontdekt de kluizenaar dat

de weg naar 'De Stilte' is afgesloten.

Er staat

een hek met een slot dat hij niet kan openen.

Hij zoekt naar een andere weg, maar elke route

leidt terug naar het bos. Hij voelt zich gevolgd.

Iemand zit hem op te wachten. Het is de arts,

die hem heeft gevolgd. De arts zegt dat de vrouw

een onschuldige is, maar dat er iets is wat hij

niet begrijpt. De kluizenaar denkt dat de arts

een verraad pleegt, maar hij weet niet hoe.

De volgende nacht, de vrouw ontwaakt. Ze zegt

dat ze zich herinnert. Ze was een medewerkster

van een verzetsgroep, die in het landgoed

verborgen zat. Ze werd gevangengenomen en

mishandeld. Ze herinnert zich dat ze een briefje

liet liggen met de naam 'Marie', maar dat ze

eigenlijk 'Marta' heette. De

kluizenaar begrijpt

dat ze is verward geworden door de trauma's van

de oorlog. Hij besluit haar te laten blijven,

ook al weet hij dat het gevaarlijk is.

Een week later, de arts komt terug. Hij zegt dat

er een nieuw rapport is ingediend over de vrouw,

en dat ze moet worden opgepakt. De kluizenaar

weigert. De arts dreigt met een straf. De

kluizenaar zegt dat hij geen regels kent, alleen

de natuur. De arts vertrekt, maar laat een brief

achter met een waarschuwing: 'Als je haar niet

laat gaan, zul je het spijten.'

De kluizenaar besluit om de vrouw te verstoppen

in een oude kelder onder zijn huis. Ze blijft

daar tot de zomer. Tijdens die periode, ontdekt

hij dat ze een klein kind heeft, dat ze heeft

moeten achterlaten toen ze vluchtte. Ze zegt dat

ze het niet kon redden. De kluizenaar voelt zich

verantwoordelijk, maar weet niet hoe hij dat

moet verwerken.

In de herfst, ontdekt de kluizenaar dat de arts

een nieuwe informant heeft. De man is een oudere

collega van de arts, die ook in het landgoed

werkte. De kluizenaar besluit om de vrouw te

laten vluchten. Ze gaat naar het noorden, waar

ze een nieuw leven kan opbouwen. De kluizenaar

blijft achter, met alleen zijn boeken en kaarten.

De volgende winter, de kluizenaar krijgt een

brief. Het is van de vrouw. Ze zegt dat ze

veilig is, en dat ze zijn naam nooit zal

vergeten. Ze schrijft dat ze een kind heeft, dat

ze nooit had verwacht. De kluizenaar leest het

en legt het weg. Hij blijft in het bos, met geen

enkel contact met de buitenwereld. De vrouwen in

het land zijn vergeten, maar de kluizenaar weet

dat hij iets heeft gedaan wat niet meer ongedaan

kan worden.