De stroom in de woning van Annetje breekt midden

in de nacht. Ze zet het licht aan en zoekt naar

de oorzaak, maar vindt alleen een vreemd gat in

de muur. Binnen zit een kaart met een vreemd

symbool, verweven met bloed en roet. Ze houdt

het vast, voelt een tinteling in haar hand.

De volgende dag wordt ze opgeroepen door de

gemeenteprefect. Hij vertelt dat er sprake is

van een 'buitenaards contact' in de buurt van

het oude klooster. Annetje herkent het symbool

van de kaart. Ze weigert te geloven dat het iets

betekent, maar de prefect zegt dat het geen

toeval is.

Ze begint te zoeken in archieven van de jaren

dertig, waarin de koloniale invloed nog leefde.

Ze vindt een verklaring: een verborgen groep die

de macht van de kolonie wilde behouden, zelfs na

de afschaffing. De kaart is een code voor hun

laatste actie. Annetje weet dat ze moet stoppen,

maar de prefect zegt dat ze niet kan terugkeren

naar haar oude leven.

Ze ontmoet een man die beweert dat hij deel was

van de groep. Hij noemt zich Jan. Hij zegt dat

het systeem dat ze nu kent — de regels, de

rechten, de sociale normen — allemaal zijn

opgebouwd op het werk van deze groep. Ze moet

kiezen: blijven zoals ze is, of meewerken aan

het vernietigen van wat ze altijd als

rechtvaardig heeft gezien.

Annetje gaat naar het klooster. Ze vindt een

schuilplaats onder de grond, vol met documenten

en apparatuur die nooit openbaar moest worden.

Ze ontdekt dat het systeem niet alleen de

kolonie beheersde, maar ook de binnenlandse

machtsstructuur van Nederland. Ze maakt een foto

van alles en loopt weg.

De prefect ontdekt het. Hij haalt haar op en

zegt dat ze moet blijven. Ze weigert. Ze neemt

de foto mee en verdwijnt. De prefect laat haar

gaan, maar zegt dat ze nooit meer veilig zal

zijn. Annetje weet dat het waar is. Ze is nu een

ander mens, en het systeem zal nooit meer

hetzelfde zijn.