De vrouwelijke leiders van het kerkhof in

Utrecht worden opgeroepen door een onbekende

stem die zegt dat de graven niet slapen. Ze

verlaten hun huizen in de nacht, gevolgd door

een zachte wind die de aarde verandert. De lucht

ruikt naar rottend bloed en oude dromen.

In de periode van de interbellum, waarin

Nederland zich probeert te herstellen van de

oorlog, verschijnen sporen van een oude magie in

de grond. De mensen beginnen te denken dat de

doden terugkeren, maar de werkelijkheid is erger:

de doden zijn wakker geworden en willen de

levenden vernietigen.

Een meedogenloze tegenstander, een voormalig

soldaat die nu de leider is van een groep die de

oogst wil voltooien, laat een brief achter met

een symbool dat alleen de vrouwen begrijpen. Hij

weet van hun kracht, maar ook van hun zwakheid.

Zijn doel is om de magie te gebruiken om de

wereld te herstructureren.

De vrouwen ontdekken dat ze in staat zijn om

dingen te zien die anderen niet kunnen zien — de

schaduw van de dood, de vorm van de toekomst. Ze

leren elkaar vertrouwen, maar de tegenstander

heeft hen al in de greep. Hij brengt hen samen

met een vijand die hij zelf heeft gecreëerd: een

man die eindigde als slachtoffer van de oorlog,

maar nu herontwaakt is.

Tijdens een storm in de stad, waarbij het licht

uitvalt en de lucht donker wordt, ontmoeten de

vrouwen de vijand op het kerkhof. Ze hebben geen

wapens, alleen hun kracht. De tegenstander zegt

dat de oogst onvermijdelijk is, maar de vrouwen

besluiten hem te verslaan door te geloven in

iets wat hij niet kan begrijpen: de kracht van

samenwerking.

De storm eindigt met een explosie van licht en

donker. De graven sluiten zich, de lucht wordt

helder. De tegenstander valt, en de vijand die

hij had gemaakt verdwijnt. De vrouwen blijven

staan, met de wetenschap dat ze iets hebben

veranderd — niet alleen de wereld, maar ook

zichzelf.