De stad ligt verstard in de winter van 1943. De

straten zijn leeg, de winkels gesloten. In een

woning aan de rand van het stadsdeel blijft een

vrouw achter, zonder te weten dat ze het laatste

getuige is van een gebeurtenis die het land zou

kunnen veranderen.

In de nacht van 15 december ontwaakt een oude

kracht uit de oorlog. Een onzichtbare hand trekt

de schaduw van een vermoorde man naar de kamer

van de vrouw. Ze hoort geen stem, maar voelt de

pijn van zijn laatste ademhaling. De vloek is

terug, en alleen zij kan hem horen.

De volgende dag verschijnt een brief bij haar

deur. Geen naam, geen adres. Alleen een lijst

met namen en een datum: 1940. Ze begrijpt niet

wat het betekent, maar als ze de namen opzoekt,

ontdekt ze dat ze allemaal verdwenen zijn

tijdens de oorlog. Geen enkele heeft ooit een

graf gekregen.

Op de avond van 20 december krijgt ze een bezoek

van een man in een donkere jas. Hij zegt niets,

maar legt een foto op tafel: een groep mensen in

een kelder, hun gezichten verlicht door een

kaars. Ze herkent de vrouw naast hem — haar

moeder. De man knikt en verdwijnt. Ze weet nu

dat de vloek geen toeval is. Het is een oproep.

De volgende ochtend ontdekt ze dat de foto's in

haar huis zijn veranderd. De mensen zijn nu

levend, maar hun blikken zijn leeg. Ze probeert

te vluchten, maar de deuren zitten op slot. De

vloek heeft haar gevangen. Ze moet kiezen: het

verleden onthullen of zichzelf laten vergaan.

In de morgen van 25 december breekt de vloek los.

De stad wordt overspoeld door herinneringen.

Mensen beginnen te huilen, te schreeuwen, te

vallen. De vrouw staat middenin het gewoel, haar

handen om de foto geklemd. Ze zegt geen woord,

maar de vloek luistert. Ze laat de foto vallen.

De wereld stopt. De oorlog eindigt hier, voor

altijd.