Hij ontdekt de machine in de kelder van zijn
vaders huis, onder de grond van een voormalige
stoommachinefabriek. De technologie is ouder dan
de oorlog, gebouwd door een wetenschapper die
verdwenen is na de inval. De machine werkt via
een geheime energiebron, een soort lading uit
een onbekende bron. Hij probeert het apparaat te
gebruiken om terug te gaan naar de dag van de
dood van zijn broer, die in 1943 verdween bij
een bomexplosie in de stad.
De eerste sprong mislukt. Hij landt in een
versie van 1943 waar de oorlog nog niet begonnen
is, maar de samenleving is veranderd. De
koloniale structuur is ingevallen, en de mensen
leven zonder grenzen. Hij ziet dat zijn broer
nog leeft, maar in een andere vorm — niet als
persoon, maar als een collectieve herinnering
die wordt beïnvloed door de keuzes van anderen.
De regel is duidelijk: elke tijdsprong verandert
de toekomst, maar de verandering is niet altijd
wenselijk.
Hij probeert opnieuw, deze keer met een andere
doelwinkel. De machine ontbrandt, en hij wordt
teruggeworpen naar het heden, maar nu met een
nieuwe lading: zijn eigen herinneringen zijn
vervormd. Hij weet niet meer of hij echt heeft
gesproken met zijn broer of alleen in zijn hoofd
heeft gedroomd. De machine is kapot, maar de
energie blijft in de lucht. Hij besluit de
machine te vernietigen, maar de lading is al
losgeraakt. Het verschijnt als een gloed in de
lucht, een licht dat mensen in hun slaap
aanspreekt met stemmen die ze niet herkennen.
Het resultaat is een nieuw soort bewustzijn in
de stad. Mensen beginnen te dromen over verleden
en toekomst tegelijk, en sommigen beginnen te
geloven dat ze kunnen kiezen welke tijd ze
willen beleven. De machine is verdwenen, maar de
invloed blijft. De idee van tijd als iets
vastgelegd is verdwenen. De toekomst is open,
maar ook onvoorspelbaar. Hij blijft in de stad,
niet om te proberen te veranderen, maar om te
kijken hoe het verhaal zichzelf schrijft. Er is
hoop, maar ook de kosten van het weten.


