Het licht van de zon valt op een verlaten

station in de wederopbouw. De rails zijn

geslepen, de bomen groeien door het asfalt. Een

man met een oude radio zit op een bank, luistert

naar een signaal dat niet moet bestaan. Hij heet

Jan, en hij heeft geen naam meer. Alleen een

nummer: 047.

De regering heeft de tijd herschreven. Alle

gebeurtenissen na 1945 zijn gecontroleerd. De

media zijn beheersd, de geschiedenis is

uitgewist. Maar de mensen houden nog steeds

geheimen. En sommigen horen signalen die niet

mogen bestaan.

Jan ontdekt een frequentie die zichzelf herhaalt:

een stem die zegt "ik leef". Hij weet

wie het is.

Ze heette Lien, en ze verdween in 1943. De

laatste keer dat hij haar zag, stond ze op een

boot die nooit aankwam. De regering noemt dat

een "verlies in de oorlog", maar Jan

weet beter.

Hij bouwt een zender, verborgen onder een

vloerplaat in zijn huis. Het apparaat is

illegaal. Wie wordt betrapt, krijgt een straf

zonder proces. Jan weet het risico, maar hij

luistert door. Elke nacht stuurt hij een

boodschap: "Ik kom je halen." Hij weet

niet of

ze het hoort. Maar hij weet dat ze leeft.

Een maand later verschijnt er een brief in zijn

postbus. Geen adres, geen handtekening. Alleen

een woord: "Niet meer." Jan knielt op

de grond,

drukt zijn oor tegen het hout. Hij hoort niets.

Maar de radio begint te trillen. Een nieuw

signaal, kort en scherp: "Blijf staan."

Hij blijft staan. De politie komt. Ze vinden de

zender, de notities, de foto’s. Ze zeggen dat

hij ontslagen is. Dat hij geen recht heeft om te

zoeken. Ze zeggen dat de tijd is hersteld. Dat

de toekomst veilig is.

Maar Jan staat op. Hij kijkt naar de hemel, waar

de wolken vormen vormen vormen. Hij hoort een

stem in het windgeruis. Het is niet Lien. Het is

iets anders. Iets dat ook zoekt. Iets dat ook

leeft.

Hij loopt weg. De stad is stil. De lucht is dik.

De tijd is hersteld. Maar Jan weet dat het niet

waar is. En dat hij niet alleen is.