De stad ligt verstard in een veld van zilveren
kristallen. Geen wind, geen geluid, alleen het
gedreun van een onzichtbare machine die de tijd
opnieuw programmeert. De mensen lopen als
schaduwen, met herinneringen die niet meer hun
eigen zijn.
Ze heet Marie. Haar handen zijn vuil van het
graven in de ruïnes van een oude kerk. Ze weet
dat de oorlog hier eindigde, maar niet hoe.
Alleen dat ze moet vinden wat is weggegaan. Een
brief, een naam, een plek die nooit bestond.
In de ondergrondse bibliotheek ontdekt ze een
boek met een wachtwoord: "Wij zijn de laatste
boodschap." De bladzijden zijn leeg, maar als ze
het aanraakt, verschijnen woorden in haar hoofd.
Een stem zegt: "Je bent niet wie je denkt."
Ze loopt door de straten waar lantaarns zichzelf
verlichten zonder brandstof. Iedereen draagt een
nummer op hun mouw, een code die hun toekomst
bepaalt. Marie ontmoet een man met een wond in
zijn borst die niet bloedt. Hij zegt dat hij
haar vader is, maar ze weet dat hij liegt. Het
is een test. De regels zijn duidelijk: wie de
waarheid ontdekt, verdwijnt.
In de nacht houdt ze een spiegeltje vast. Ze
ziet geen gezicht, alleen een meisje met haar
ogen. De regel is: geen herinneringen delen.
Maar ze weet dat ze moet kijken. De spiegel
breekt, en ze valt in een gat waar het licht
niet komt. Er is geen eind, alleen een nieuwe
start.
Ze wacht tot de machine weer begint. Tot de tijd
weer stroomt. Tot ze weet wie ze is. De regel is:
niemand mag weten wat er gebeurde. Maar ze heeft
het al gezien. En ze zal het nooit vergeten.


