Het land ligt in as, maar niet van vuur. De
regels zijn anders nu. Geen zon, geen maan —
alleen een gloed die uit het noorden komt.
Mensen lopen zonder gezicht, zoals de wetten
voorschrijven. Wie zichzelf herkent, wordt
gevangen.
Ze heet niemand. Ze heeft geen naam meer. Alleen
een vinger met een litteken, dat ze op haar
borst drukt als ze moet spreken. Ze is de vrouw
in de as, die niemand herkent. Maar iedereen
herkent haar.
Ze vindt een briefje in een muur. Het is
geschreven in een taal die ze ooit kende. Een
woord herkent ze: "Vrouw". Het is de
eerste keer
dat ze zichzelf herkent. Ze loopt naar de plek
waar het bericht vandaan kwam. Het is een kelder
onder een oude kerk, waar mensen nog steeds
bidden, ook al is het geloof verbannen.
Daar ontmoet ze hem. Een man met een masker van
metaal, zoals alle mannen nu dragen. Hij zegt
niets. Hij laat haar een spiegel zien. In het
glas ziet ze haar gezicht. Het is hetzelfde als
op het briefje. Ze herkent het. Ze weet niet hoe.
Hij brengt haar naar een plek waar geen regels
zijn. Een stuk grond dat niet onder de nieuwe
wetten valt. Ze noemen het "de
vrijheid". Daar
leert ze dat ze niet alleen is. Er zijn anderen
die hun gezichten hebben verloren. Ze noemen
zichzelf "de onverwachte bondgenoten".
Ze zijn
op zoek naar wie hen hun identiteit heeft
afgenomen.
Ze leert dat de nieuwe wereld niet uit vuur is
geboren, maar uit een verdrag. Een overeenkomst
tussen machthebbers om alles te vernietigen,
zodat niemand meer kan herinneren wie hij was.
De regels zijn er om te voorkomen dat iemand
zichzelf herinnert. Wie zichzelf herkent, wordt
gevangen.
Ze ontdekt dat ze een document heeft. Een papier
met haar echte naam. Het is gescheurd, maar de
letters zijn nog zichtbaar. Ze weet niet hoe ze
het heeft gekregen. Ze denkt dat het van de man
komt. Maar hij zegt niets. Hij blijft met zijn
masker.
Ze besluit om te ontsnappen. Ze loopt naar de
plek waar de regels het meest streng zijn. Een
stad die niet bestaat, maar waar mensen wel
leven. Ze noemen het "de herinnering". Daar
zoekt ze naar wie haar naam heeft gestolen. Ze
vindt een kamer met een boek. Het is
volgeschreven met namen. Zij is erin geschreven.
Ze weet niet wanneer.
Ze leest het boek tot het einde. Er staat een
naam bij. Die van de man met het masker. Ze weet
niet of hij haar vriend is of haar vijand. Ze
weet alleen dat ze hem moet vinden. En dat ze
moet weten wie ze is.
Ze loopt terug naar de vrijheid. De andere
onverwachte bondgenoten wachten. Ze vertelt wat
ze heeft gelezen. Ze zegt dat ze niet meer wil
verdwijnen. Ze wil herinneren. Ze wil weten wie
ze is.
Ze zegt dat ze niet meer wil zijn wat ze is. Ze
wil iets anders worden. Ze wil een andere naam.
Ze wil een ander gezicht. Ze wil een ander
verleden.
Ze houdt het boek vast. Ze loopt weg. De
vrijheid is achter haar. De stad is voor haar.
De herinnering is in haar. Ze weet niet wat er
gaat gebeuren. Ze weet alleen dat ze niet meer
zal verdwijnen. Ze zal herinneren. Ze zal
zichzelf herinneren. Ze zal het verleden
herstellen. Ze zal het verleden herstellen. Ze
zal het verleden herstellen.


