Een ongezien dorp in de bergvallei verandert. De
vijvers beginnen te spreken, fluisteren in het
donker. De bewoners zeggen dat de stroom nu ook
hun gedachten draagt. Niemand weet waarom, maar
niemand durft het te vragen.
De geniale kluizenaar, die al jaren in de rotsen
woont, hoort het geluid. Het is niet als vroeger,
geen eenvoudige wind. Het is een stem, langzaam,
met klank. Hij blijft staan, luistert. De lucht
wordt zwaar, alsof de heuvels zelf ademen.
Hij probeert het te negeren, maar de stem
herhaalt zich elke nacht. Een naam, een vraag:
"Waar ben je?" Hij schrijft het op in zijn
notitieboek, maar het papier verandert. Letters
verschuiven, verdwijnen. De regels worden
onleesbaar.
Een boer komt hem bezoeken. Zijn dochter is ziek,
ze zegt dat ze iets hoort in haar hoofd. De
kluizenaar denkt aan de vijvers. Hij neemt haar
mee naar de rivier. Ze laat haar hand in het
water vallen. Het antwoord is een schreeuw, een
herinnering. De boer rent weg, bang.
De kluizenaar krijgt een brief. Iemand heeft
zijn notitieboek gestolen. Er staat een nieuwe
tekst in, geschreven in zijn eigen handschrift:
"Laat het los." Hij loopt naar het
dorp, zoekt
de plek waar de stem vandaan kwam. De grond
trilt onder zijn voeten. Het water stijgt,
spoelt over de paden.
Hij weet wat hij moet doen. Hij gooit zijn boek
in de rivier. De stroming trekt het weg, zoals
het alles ooit heeft meegenomen. De stem stopt.
De vijvers worden stil. De boer komt terug, zegt
dat zijn dochter geneest. De kluizenaar blijft
in de bergen, maar nu hoorde hij iets anders:
rust.


