De koffiebar op de Hoogstraat sluit om halfzes.

De serveerster zet de laatste kop weg, maar de

stoel aan de hoek blijft leeg. Een briefje ligt

erop, met een vingerafdruk en een adres in de

Noordelijke Wijken. Ze is niet teruggekomen.

De politie zoekt haar in het oude stadsdeel,

waar herinneringen zich vastklampen aan muren.

Iemand zegt dat ze bij de schrijver was, die

zijn boek onder de grond heeft gestopt. De grond

is nat, en de schrijver wordt gevonden met een

mes in zijn rug, het boek nog steeds onder zijn

hand.

Een jonge redacteur krijgt het manuscript

toegestuurd. Het gaat over een regering die

mensen verdwijnen laat, zonder spoor. Hij weet

dat het waar is, want hij zag het zelf in de

jaren ’30, toen de koloniale wetten werden

aangepast. De regel is duidelijk: wie onthult,

verdwijnt.

Hij begint te schrijven, maar elke pagina die

hij voltooit, verdwijnt uit zijn huis. De

woorden vallen in het water, als of ze nooit

bestonden. Hij ontdekt dat het manuscript alleen

kan worden gelezen door iemand die geen naam

heeft, geen identiteit, geen verleden. Iemand

zoals zij.

Ze wordt gevonden in een afgelegen boerderij,

waar de lucht zo zwaar is dat het ademhalen pijn

doet. Ze herinnert zich niets, maar de mannen

die haar hebben meegenomen, zien haar aan als

een kind van de regering. Ze moet iets weten,

iets wat de wereld verandert. Ze wordt

gechanteerd met een foto van haar vader, die in

de oorlog is verdwenen.

De redacteur vindt haar, maar de foto is

verdwenen. De mannen komen terug, en hij moet

kiezen: het manuscript vernietigen of haar leven

riskeren. Hij kiest voor het manuscript, maar de

woorden zijn gewist. De regering heeft het

gehoord.

Ze wordt weer vrijgelaten, maar de stad is

anders. De koffiebar is gesloten, de schrijver

is dood, en de mensen kijken haar niet meer aan.

Ze weet dat ze nooit meer terugkomt, maar ze

hoopt dat iemand het verhaal zal vinden. En dat

het deze keer niet onder de grond blijft.