De zomer van 1947 draait om het herstel, maar in
een streek aan de Noordzee begint iets vreemds
te gebeuren. Een jonge man verdwijnt tijdens een
zondagsuitje. Zijn moeder, een lerares met een
passie voor geschiedenis, vindt zijn laatste
brief. De letters zijn vervagen, alsof het
papier onder water is geweest. Ze negeert het en
zoekt hem in de dorpshoofden, maar niemand heeft
hem gezien.
In de nacht volgt een lichtverschuiving in de
duinen. Een vuurbrandt in de vorm van een
menselijke gestalte. De dorpsbewoners verklaren
het voor hallucinatie, maar de moeder ziet het
duidelijk. Ze begint te geloven dat haar zoon
niet gewoon verdwenen is, maar naar een ander
tijdstip is getransporteerd.
Ze ontdekt dat de oorlog niet echt is afgelopen.
Een groep wetenschappers, onder leiding van een
exmilitair, probeert de tijd te manipuleren via
een geheime laboratorium onder het dorp. Het is
een experiment om de nederlagen van de oorlog te
herstellen, maar het werkt niet zoals bedoeld.
Tijd wordt gekromd, niet gerepareerd. De moeder
weet dat haar zoon in een van die gekromde
momenten is beland.
Ze probeert het laboratorium binnen te dringen,
maar wordt opgepakt door een bewaker die zegt
dat ze geen rechten heeft. De regels zijn
duidelijk: wie tijd wil veranderen, moet zelf
veranderen. De moeder weet dat ze haar zoon niet
kan redden zonder zichzelf te verliezen. Ze moet
kiezen: blijven zoals ze is, of de regels
verbreken en de tijd in eigen handen nemen.
In de nacht brengt ze het experiment tot een
einde. Ze vernietigt het apparaat, maar niet
voordat ze een fragment van de tijd vastlegt.
Haar zoon verschijnt terug in de duinen, maar
hij herinnert zich niets. De tijd is weer
normaal, maar de moeder weet dat ze iets heeft
gedaan wat nooit mag worden herhaald. Ze blijft
alleen, met het gevoel dat ze iets belangrijks
heeft opgeofferd.


