Een jonge vrouw verlaat het dorp waar ze is

opgegroeid, met een brief van haar vader die

haar dwingt terug te keren. Ze ontdekt dat haar

moeder nooit is overleden, maar ondergedoken is

sinds de oorlog. De brief bevat bewijzen van

corruptie binnen de lokale bestuurders, die nu

de herstelwerken leiden. Ze weigert om erover te

zwijgen.

De gemeenschap ziet haar als verraadster. Haar

broer, een lid van de plaatselijke partij,

dreigt haar te weren. Ze ontmoet een oude

vriendin die haar vertelt dat haar moeder

betrokken was bij de illegale verdeling van

hulpgoederen. De regels van de wederopbouw

verbieden het openbaar maken van zulke gegevens,

onder straf van ontslag of gevangenis. Ze

besluit toch te blijven zoeken.

Ze vindt een verlaten schoolgebouw waar haar

moeder lang geleden ondergedaan was. Binnen

aantreffen ze een map met documenten en een

dagboek. Het dagboek bevat herinneringen aan de

oorlog, maar ook een schriftelijke verklaring

dat haar moeder geen kwaad wilde doen — alleen

de familie beschermen. De regels van de tijd

hebben geregeld dat vrouwen geen stemmen hadden,

maar de feiten tonen dat ze wel degelijk actief

waren.

De politie komt eraan. Ze vlucht naar een oude

boerderij buiten de stad, waar ze wordt

opgesloten door een oudere man die zichzelf de

'bewaker van de waarheid' noemt. Hij

geeft haar

een keuze: de documenten vernietigen of ze laten

lekken. Ze kiest voor de tweede optie, maar de

informatie wordt niet vrijgegeven. De

autoriteiten besluiten dat de geschiedenis beter

onveranderd blijft.

Ze blijft in het bos, zonder contact met wie dan

ook. In het jaar dat volgt, worden de documenten

gevonden door een student, die ze publiceert

onder een pseudoniem. De schandalen komen aan

het licht, maar niemand noemt haar naam. Ze

hoort het via de radio, en laat het rusten. De

wereld is veranderd, maar zij heeft geen plek

meer in het nieuwe systeem.