De schrijfster Marja Vos ontdekt een oude kist
in de kelder van haar overgrootvader. Binnen
ligt een apparaat dat lijkt op een radio, maar
met ingegraveerde symbolen en een knop die geen
licht geeft. Ze draait hem aan. De lucht stokt.
Het appartement wordt donker. Een beeld
verschijnt: een soldaat in uniform, zijn gezicht
verwrongen door pijn. De kamer trilt. Marja valt.
Ze wakker wordt met een bloedneus. De kist is
verdwenen. De muur zit vol gaten. Haar handen
trillen. Ze zoekt het apparaat weer op, maar
vindt alleen een vloeibare substantie op de
vloer. Ze neemt een monster mee naar een
laboratorium. De wetenschapper zegt dat het een
vorm van tijd of herinneringsbewaring is, iets
dat nooit bestaan mag hebben. Hij weigert te
helpen.
Marja begint te denken dat ze hallucineert. Tot
ze iemand ziet die ze nooit heeft gezien: een
man met een rode pet, die haar volgt door de
straten van Den Haag. Hij roept haar naam. Ze
rent. Hij loopt rustig achter haar aan. Ze houdt
stil. Hij zegt niets. Ze loopt verder. Hij
blijft.
De volgende dag ontdekt ze dat haar vriendin
Annemieke verdwenen is. De politie zegt dat ze
zichzelf heeft opgehangen. Marja gaat naar het
ziekenhuis waar Annemieke was. Ze vraagt naar de
laatste dagen. De verpleegster zegt dat
Annemieke droomde over een oorlog die niet echt
was. Ze had foto's van mensen die nooit
bestonden.
Marja ontdekt dat het apparaat een
herinneringssysteem is. Het toont niet het
verleden, maar het gevoel van het verleden.
Iedereen die het gebruikt, herinnert zich iets
wat niet gebeurd is. De wetenschapper zegt dat
het een technologie is die uit de jaren '30 komt,
ontworpen om de trauma’s van de oorlog te
verwerken. Maar het werkt niet goed. Het
verandert de mens.
Ze probeert het apparaat opnieuw aan te zetten.
Dit keer verschijnt een beeld van een kind dat
wordt meegenomen door een soldaat. Ze hoort het
huilen. De lucht wordt zwaar. Ze valt weer. Ze
wakker wordt met een leeg hoofd. Ze weet niet
meer wie ze is.
De man met de rode pet staat bij haar bed. Hij
zegt dat ze moet stoppen. Dat het apparaat niet
voor haar is. Ze vraagt wie hij is. Hij zegt dat
hij de laatste getuige is. Dat hij hetzelfde
heeft meegemaakt. Dat hij geen herinnering meer
heeft. Alleen de angst.
Marja probeert het apparaat te vernietigen. Ze
gooit het in het water. Het blijft drijven. Ze
duwt het onder de kast. Ze sluit de deur. Ze
zegt tegen zichzelf dat het niet echt was. Maar
de volgende dag ziet ze het apparaat weer op
haar tafel staan. Ze voelt het trillen. Ze
draait het aan. Het licht gaat aan. De lucht
stokt. De kamer trilt. Ze valt.
Ze wakker wordt met een leeg hoofd. Ze weet niet
meer wie ze is. De man met de rode pet staat bij
haar bed. Hij zegt dat het nu eindelijk klaar is.
Dat ze het apparaat moet laten werken. Dat het
de wereld zal veranderen. Dat het de herinnering
van de oorlog zal wissen. Dat het de mens zal
veranderen.
Ze drukt de knop. Het apparaat begint te branden.
De lucht wordt zwart. Het geluid stopt. De
wereld verandert. Marja sterft. De man met de
rode pet verdwijnt. De kist blijft leeg. De
technologie is verdwenen. De herinnering is
gewist. De wereld blijft leven.


