De stad ligt onder het zwaarste zonlicht van de

zomer, met straten die nog ruiken naar as en

vergeten oorlogen. In een woning aan de rand van

het oude stadsdeel leeft ze zonder naam, alleen

met het geluid van een klok die elke dag tien

minuten sneller loopt dan de andere. Ze weet

niet wie ze is, alleen dat ze niet mag vragen.

De regering heeft een wet ingevoerd: alle

vrouwen moeten hun stemmen afgeven aan het

openbare bestuur. Wie protesteerde, verdwijnt.

Zij heeft geen stem, maar ze heeft een klok. Het

is een antiek voorwerp, gevonden in een

schuilhuis onder de grond, en het tikken klinkt

als een dreunend ritme dat haar botten trilt.

Op een ochtend houdt de klok op te lopen. Ze

ziet haar gezicht in het glas, en het is anders

dan het beeld dat ze altijd had. Ze herkent het

niet, maar het voelt bekend. Een briefje valt

uit de kast: Je bent de laatste die kan kiezen.

Ze rent naar de plein, waar de vrouwen in rij

staan om hun stemmen in te leveren. Ze blijft

staan, terwijl de klok in haar hand trilt.

De regering stuurde een troep soldaten. Ze

worden aangevallen door een groep vrouwen die

zichzelf niet herkennen, maar die weten wat er

gebeurt. De klok begint weer te lopen, maar nu

sneller. Elke minuut die voorbijgaat, verandert

het lichaam van de vrouw. Haar haren vallen uit,

haar ogen veranderen, haar stem wordt zwaarder.

Ze moet kiezen: haar lichaam of haar geest.

Ze kiest voor haar geest. De klok stopt. De

soldaten trekken zich terug. De vrouwen kijken

naar haar, en zij kent hen niet. Ze draait zich

om en loopt weg, met niets meer dan een klok en

een herinnering die niet van haar is. De stad

blijft stil, maar de klok blijft tikken. Het is

een nieuwe tijd, en de vrouwen wachten op wie er

komt.