1935, Den Haag. De telegraaf is nog niet overal,

maar het gerucht loopt sneller dan de draad: het

Rijk stort in. Een leraar aan de Hogere

Burgerschool trekt zijn naam terug uit de

leerlingenlijst – geen openbare straf, maar een

stilte die doet voelen als verbanning. Zijn

dochter, Anna, schrijft geen brieven meer naar

Surabaya. Haar vader had haar gewaarschuwd: “Als

je het land binnenkomt, gaat het land je nemen.”

Nu is hij verdwenen. Geen dood, geen arrestatie.

Alleen een gat in het familiebestuur.

Anna werkt nu bij een archiefkantoor in de Grote

Huisvesting. De werkzaamheden bestaan uit het

sorteren van oude correspondentie uit de

Indiëexpedities. Elk document is een houding:

afwijzing, onderwerping, of wraak. Ze ontdekt

een brief van haar moeder, geschreven in 1923,

waarin staat: “Ik ben niet bang voor de zon,

maar voor de manier waarop zij ons laat zien.”

De woorden staan in de marge, op een papier dat

ooit was gebruikt om koortsdroog te schrijven.

Ze kent de handschrifttekst niet.

In een avondregen breekt een leger van kinderen

uit de achterbuurt op. Ze dragen broeken van

gevouwen stoffen, spullen van eertijds

colonialisme – een boekje met Afrikaanse proeve,

een zilveren lint van een school in Batavia. Ze

gooien iets op de kade: een stuk tafelhout,

versierd met een keurmerk van het Koloniaal

Museum. Het wordt weggehaald zonder verklaring.

Anna weet dat dit geen actie is. Dit is een

signalering. Iemand wil dat zij weet wie ze is.

Ze neemt de brief mee naar huis. De volgende dag

is er geen brief meer. Maar in de zachte muur

van haar slaapkamer zit een scheurtje – net

groot genoeg om een klein stukje papier door te

steken. Ze plaatst daar een nieuwe brief: geen

woorden. Alleen haar handtekening, getekend in

de hoek. Daarna stoppen de kinderen. Geen nieuwe

acties. Geen geluid.

De volgende ochtend vindt een functionaris de

brief in de muur. Hij beveelt het materiaal te

vernietigen. “Alles wat is gescheurd, moet

worden uitgesloten.” Anna wordt niet opgeroepen.

Ze wordt niet gemist. Maar in het archief

verdwijnt alle documentatie over haar vaders

afzondering.

Zes maanden later komt een nieuw dossier binnen:

een verzoek tot herroeping van een

‘ongeoorloofde identiteitsvorm’. Er is geen

ondertekening. Maar de inkt is dezelfde als op

haar moeders brief. Anna legt het dossier op

haar bureau. Ze pakt een pen. Schrijft één zin:

“Ik ben er.” Dan legt ze de pen neer.

Het dossiernummer wordt nooit verwerkt. Het

lijkt op een fout. Maar in de nachtelijke kast

van het archief, naast een krant uit 1936, zit

een tweede brief. Deze keer in het Javanese. Aan

de rand staat: “Wij herinneren.”