De klokkentoren van het dorp stopt met luiden.
De grond trilt, niet van oorlog, maar van iets
anders. De vrouwen van het dorp beginnen te
verdwijnen, niet door vervoer, maar door een
zachte trek in de lucht die hen naar het bos
trekt.
De traditionist, een voormalig schoolmeester met
een uniform van zwart en goud, houdt zijn
dochter gevangen in de kerk. Hij weet dat de
natuur zich herstelt, dat de mens geen heerser
meer is. Hij heeft een plan: een nieuw ritueel,
een gebed dat alleen hij kan uitspreken.
De vrouwen verschijnen op het plein, hun
gezichten als geschilderde maskers. Ze
fluisteren geen woorden, maar hun adem vormt
woorden in de lucht. De traditionist probeert
hen te beledigen, maar ze blijven staan. Hij
schreeuwt, maar zijn stem wordt opgeslokt door
de wind.
Een meisje uit het dorp, een leerling van de
traditionist, sloop naar de bosrand. Ze ziet de
vrouwen daar, niet als levenden, maar als
schaduwen die zich in het gras verstoppen. Ze
hoort hun gedachten, niet als woorden, maar als
een geluid dat in haar hoofd klinkt: We zijn
niet verloren, we zijn vergeten.
De traditionist besluit het ritueel te voltooien.
Hij maakt een vuur van oude boeken, leest de
teksten die hij zelf geschreven heeft. De
vlammen worden groen, de lucht raakt zwaar. De
vrouwen raken dichterbij, hun vormen wazig,
alsof ze niet bestaan.
Het meisje loopt naar het vuur. Ze pakt een van
de boeken en legt het in de vlammen. De
traditionist valt op zijn knieën. Het vuur
sterft, de vrouwen verdwijnen. De lucht wordt
weer stil. De klokkentoren begint weer te luiden,
langzaam, alsof het herstelt.
De meisjes van het dorp leren nu dat de natuur
niet tegen hen is, maar dat ze moeten leren
luisteren. De traditionist blijft in de kerk,
maar hij spreekt geen woorden meer. Hij hoort
alleen nog het geluid van de wind, en het klinkt
als een antwoord.


