De stad ligt onder een zware regen. De straten

zijn leeg, de huizen gesloten. In het hart van

de stad, in een oude woning met stenen muren,

wordt een klok geontdekt. Het is geen gewone

klok. Het tikt niet. Het staat stil. Maar wie

eromheen loopt, voelt het trillen in hun botten.

De klok is gemaakt door een vroegere bewoner,

een wetenschapper die tijd kon vangen. Hij

gebruikte het om geheimen op te slaan — dingen

die nooit mochten worden verteld. Nu is de klok

weer actief. Iemand heeft hem gewekt.

Een vrouw, een wrede bewaker van het bestuur,

komt naar het huis. Ze zoekt iets. Ze weet niet

wat, maar ze weet dat het hier is. Ze dwingt de

bewoonster om haar te helpen. De vrouw weigert.

De bewaker trekt een mes. De vrouw valt. De klok

trilt harder.

In de nacht daarna, als de regen eindelijk

ophoudt, wordt de vrouw wakker in een andere

tijd. Ze ziet zichzelf jonger, in een ander

lichaam. Ze herkent de plek: een tempel uit de

Oudheid, waar mensen geloven dat tijd een god is.

Ze hoort stemmen roepen. Ze wordt gevolgd.

Ze probeert terug te keren, maar de klok is nu

los. Het tikt niet meer, maar het maakt mensen

ziek. De bewaker, die ook in de tijd is gekomen,

zegt dat de klok alleen kan worden gestopt als

iemand zijn eigen geschiedenis verandert. De

vrouw moet kiezen: haar leven redden of het

verleden veranderen.

Ze besluit om de klok te vernietigen. Ze gaat

naar de tempel, waar de tijd wordt opgeslagen.

Ze vindt een boek, een overtuiging dat de klok

niet mag worden gebruikt. Ze leest het. Ze

begrijpt. De klok is geen tool, maar een

gevangenis.

De bewaker arriveert. Ze wil het boek hebben. De

vrouw geeft het niet. Ze laat de klok vallen.

Het valt in het water. Het stopt. De tijd blijft

staan. De vrouw wordt oud. De bewaker verdwijnt.

De stad blijft stil.

De klok is weg. De tijd is vrij. Maar de vrouw

weet dat ze iets heeft verloren. Ze zit in een

oude woning, met een lege kamer. Ze kijkt naar

de muur. Er is niets. Alleen een schaduw. Een

schaduw die haar herkent.