De stad ligt verstopt in een woestijn, omringd
door stenen muren die nooit zijn gebouwd. De zon
is vaste wachter, en de lucht zwaait als een
zwaard. De vrouwen worden hier gebracht om te
werken, maar geen enkele weet waarom. Ze worden
genummerd, opgesloten, en elke nacht verdwijnt
er een. Niemand spreekt over hun verdwijning.
Een jonge vrouw, met een litteken op haar pols,
wordt ontdekt bij een gat in de muur. Ze
probeert te ontsnappen, maar wordt teruggebracht
door een man met een gezicht als een mes. Hij
noemt zich de wrede bewaker. Zijn ogen zijn leeg,
maar zijn handen zijn vol bloed. Hij legt haar
neer op een tafel van wit steen en zegt niets.
Alleen zijn vingers drukken tegen haar hals,
alsof hij zoekt naar iets dat er niet is.
De stad heeft geen tijd. De muren trillen bij
elke ademhaling. De vrouwen spreken geen taal
meer, alleen geluiden. Ze werken in het donker,
met lampen die nooit branden. Iedereen weet dat
als je te lang blijft, je verdwijnt. Maar de
vrouw met het litteken begrijpt dat het niet de
stad is die hen verandert — het is wat ze onder
de grond hebben gevonden.
Ze ontdekt een kamer onder de werkplaats, waar
drie figuren staan te wachten. Een man met een
jas van rood leer, een vrouw met een mond vol
tanden, en een kind dat geen stem heeft. Ze
noemen elkaar niet bij naam. Ze zeggen alleen:
"Zij is de sleutel." De wrede bewaker komt
binnen, zijn gezicht nu blauw. Hij pakt de vrouw
bij haar schouder en zegt: "Je bent hier gekomen
om te vallen."
De stad breekt in stukken. De muren vallen, de
lucht raakt verdonkert. De vrouwen rennen, maar
niemand weet waarheen. De vrouw met het litteken
ziet de kinderfiguur aan de rand van de chaos.
Ze loopt ernaartoe, maar de wrede bewaker valt
haar aan. Ze doet geen geluid. Ze trekt een mes
uit haar mouw, een mes dat ze nooit had gezien.
Het snijdt door zijn arm, en hij valt. De stad
zinkt, en ze rent weg.
In de ochtend vindt een groep mannen haar bij
een rivier. Ze heeft geen litteken meer, geen
nummer, geen herinnering. Ze zegt niets. Ze
kijkt alleen naar het water. De stad is
verdwenen, maar haar sporen zijn nog te zien in
de aarde. De mannen kijken naar haar, en weten
dat ze iets hebben gezien dat niet zou moeten
bestaan.


