De tempel ligt verlaten in het weiland, waar
ooit priesters het lot van het volk bepaalden.
De stenen zijn versleten, maar de krachten die
erin zaten, zijn niet verdwenen. Een groep
jongeren ontdekt een geheime gang onder de grond,
waar ze een glazen kist vinden met een vrouw in
een jas van een andere tijd. Ze ademt niet, maar
haar ogen zijn wijd open.
De dorpelingen verdragen haar niet. Ze wordt
beschouwd als een onheilssymbool, een
herinnering aan de eeuwenoude heidense goden die
nu vergeten zijn. Maar de jongeren houden haar
gevangen, denkend dat ze een wonder kan zijn. Ze
noemen haar 'De Vreemdeling'.
De vrouw begint te spreken in een taal die
niemand begrijpt, maar haar handen bewegen alsof
ze een ritueel uitvoert. De jongeren zien
symbolen op haar huid die overeenkomen met oude
teksten in de tempel. Ze proberen haar te leren
spreken, maar elke poging leidt tot een
plotselinge hitte in de lucht, alsof de tijd
zelf trilt.
Een oudere man, die herinnert dat zijn
grootvader hier ooit een ritueel heeft
uitgevoerd, zegt dat de vrouw een tijdsprong is.
Dat ze niet uit deze tijd komt, maar uit een
andere. De jongeren lachen, maar de vrouw wijst
naar een steen met een merkteken dat alleen in
haar tijd bekend is. Ze weet van de oorlog, van
de verliezen, van de vergeten geschiedenis.
De dorpelingen besluiten haar te doden. Ze
willen geen herinnering aan de oude tijd. Maar
de vrouw voelt hun angst. Ze laat een schaduw op
de muur dansen, een beeld van een oorlog die nog
niet gebeurd is. De jongeren zien het en weten
dat ze iets hebben gedaan wat niet mag worden
ongedaan gemaakt.
De vrouw verdwijnt in de nacht. De tempel raakt
in verval, maar de jongeren blijven kijken naar
de plek waar ze was. Ze weten nu dat de tijd
niet stil staat, en dat verandering altijd een
prijs heeft.


