De stroom stopt in de stad. De lantaarns doven.

In het donker ziet ze het glas van de klok op

het plein. Het is geen gewone klok. Het tikt

niet. Het wacht. Ze herinnert zich het verhaal

dat haar grootmoeder vertelde: in de Oudheid

liet men de mensen hun lot bepalen door een

mechanisch systeem. Wie erin geloofde, werd

gecorrigeerd. Wie niet, verdween.

Ze zoekt naar de sleutel die haar vader nooit

heeft kunnen vinden. In zijn kamer vindt ze een

map met foto’s van mensen die in de jaren dertig

verdwenen. Geen enkele lijkt te hebben

geprobeerd te ontsnappen. Ze begrijpt nu waarom

hij nooit over de oorlog wilde praten.

Toen de oorlog brak, werden de klokken weer

aangezet. Iedereen moest weer geloven. Maar de

regels waren veranderd. De klok had een nieuwe

functie: hij wees niet meer het lot aan, maar de

schuld. Wie erin geloofde, werd uitgescholden.

Wie niet, werd gearresteerd. Ze krijgt een brief

van een man die zegt dat ze de sleutel moet

vinden voor de klok. Ze weigert.

De volgende dag wordt haar woning doorzocht. Ze

ontvlucht de stad. In een oude kelder vindt ze

de sleutel, maar ook een brief van haar vader.

Hij schrijft dat de klok niet alleen het lot

bepaalt, maar ook de verantwoordelijkheid. Ze

moet kiezen: het geheim delen of het laten

liggen.

Ze keert terug. De klok begint te tikken.

Iedereen ziet het. Iedereen luistert. Ze draait

de sleutel. De klok maakt een geluid dat niemand

eerder heeft gehoord. Iedereen begint te huilen.

Niemand weet waarom. Maar ze weten dat het einde

van iets is begonnen.