De stad ligt onder een laag stof. De straten
zijn smal, met houten huizen die nog steeds naar
de oorlog ruiken. Iedereen kent iedereen, maar
niemand spreekt over het verleden. Een vader
leest het laatste briefje van zijn zoon, dat in
een oude krant is gestoken. Het bericht is kort:
"Ze weten het."
Hij begint te zoeken. In de buurt van de oude
haven, waar geen schepen meer komen. Bij de
winkelier die niet meer verkoopt dan nodig is.
Hij hoort geruchten over een man die nooit meer
wordt gezien, maar altijd wordt genoemd. De man
die het verlies van vele families veroorzaakte,
en die nu weer in het donker leeft.
De vader krijgt een brief van een oudere vrouw.
Ze zegt dat ze hem kent, dat ze samen in het
kamp zaten. Ze geeft hem een foto van een jongen
met dezelfde ogen. Hij herkent het gezicht, maar
weet niet wie het is. Ze zegt dat hij moet
stoppen met zoeken, dat het gevaarlijk is. Hij
negeert haar.
In de nacht ontmoet hij de man. Ze staan
tegenover elkaar in een leeg gebouw. De man zegt
niets. De vader vraagt waarom hij zijn zoon
heeft weggehaald. De man blijft zwijgen. Dan
knielt hij, legt zijn hoofd op de grond, en zegt
één woord: "Wraak."
De vader loopt weg. Hij voelt zich zwaarder dan
voorheen. De stad blijft stil, maar er is iets
veranderd. Iemand heeft de waarheid gevonden, en
die is nu ook bij hem. De mensen kijken hem aan
alsof ze iets weten, maar zeggen niets. De vader
denkt aan zijn zoon, en weet dat hij nooit meer
terug zal keren.


