Een zware regen valt op het centrum van de stad.

De straten zijn leeg, maar in het donker bewegen

schaduwen die geen licht kunnen dragen. De

ambtenaar, met een naam als een geheim, staat

voor het hoofdgebouw van de gemeente. Zijn pen

is vuil, zijn handschoenen gescheurd. Hij heeft

drie dagen geleden een brief ontvangen met een

vlek die niet weggaat.

De stad draait om een systeem van

voedselverdeling, waarin iedereen een kaart

krijgt voor etensuitgifte. De kaarten worden

gescand bij de poorten. De ambtenaar weet dat

het systeem stukloopt wanneer de kaarten

ongeldig worden gemaakt door een vloek. Hij

heeft het gezien: mensen die hun kaart verliezen,

verdwijnen. Ze worden niet meer gemeld. Geen

spoor. Geen herinnering.

Hij maakt een afspraak met een oude vriend, die

ook ambtenaar was. Ze ontmoeten elkaar onder een

brug, waar de lucht zwaar is van roet en angst.

De vriend vertelt dat de vloek uit een oude

kelder komt, waarvoor ze geen namen durven

noemen. De vloek heet "De

Vergeetachtige". Het

is geen tovenaar, geen geest. Het is iets dat

zich vastklingt aan de gedachten van mensen die

te veel weten.

De ambtenaar wordt gewaarschuwd dat hij niet

moet proberen te ontsnappen. Als hij probeert te

vluchten, zal hij zelf vergeten dat hij ooit

bestond. Hij blijft staan. Hij houdt zijn kaart

vast. De vloek werkt langzaam, zoals een virus.

Hij begint te zien hoe mensen om hem heen hun

gezichten verliezen. Hun stemmen worden zachter,

alsof ze al verdwenen zijn.

Hij vindt een oude documentatie in het archief.

Er staat een regel: "Wie het systeem verlaat,

verliest zijn naam." Hij begrijpt dat de vloek

geen kracht is, maar een afspiegeling van de

samenleving. Iedereen die zichzelf wil

beschermen, moet anderen vergeten. Hij kiest

voor zelfopoffering. Hij geeft zijn kaart aan

een jonge vrouw, die nog niet weet wat er gaande

is. Ze neemt het aan. Ze loopt door de poort. De

ambtenaar blijft achter.

Zijn naam verdwijnt. Niemand herinnert zich hem.

Maar de vrouw draagt zijn kaart. Ze leeft. De

stad blijft leven, maar zonder hem. De vloek

blijft, maar nu is er iemand die weet dat het

bestaat. De stad blijft in het donker, maar niet

volledig. De ambtenaar is vergeten, maar zijn

keuze is blijven staan.