De stroomstoring in Amsterdam duurt drie dagen.

De lantaarnpalen staan out, de treinen stoppen.

In een appartement boven een slachterij ontdekt

hij een oude radio die nog werkt. Het signaal

komt van een onbekend station, met een stem die

roept: "De laatste boodschap is niet voor

iedereen."

Hij houdt het apparaat verborgen onder zijn

vloerplanken. De buurman, een exsoldaat met een

ooglap, begint te vragen. De man weigert te

antwoorden. De buurman blijft toezien, zoals

altijd.

Op de vierde dag ontdekt hij een foto in het

radioboeekje: een meisje met een rode sjaal, net

als de vrouw die hij jaren geleden verloren

heeft. Hij begint te bellen. Iemand antwoordt

met een schreeuw. De lijn valt uit.

De buurman verschijnt bij zijn deur. Zijn ooglap

zit los. Hij zegt niets, maar steekt een mes in

de muur naast de man. Het gaat om een regel:

geen contact met het verleden. De man weet dat

hij niet mag vragen waarom.

De volgende nacht ontbrandt het appartement. De

man rent naar beneden, maar wordt tegengehouden

door de buurman. Het vuur slaat over naar de

winkel eronder. De slachter, een oudere man met

een kroes, probeert te blussen. De man ziet hem

in het licht van de vlammen: hetzelfde gezicht

als op de foto.

Hij springt naar binnen. De vlammen slikken de

foto op. De man haalt het radioboeekje en rende

naar buiten. De buurman staat daar, met een mes

in zijn hand. "Je had je mond moeten houden,"

zegt hij.

De man rent door de straat. De buurman

achtervolgt hem. Ze komen bij een rivier. De man

klimt op een brug. De buurman jaagt hem naar het

midden. Er zit een boot aan de kant. De man

springt, maar valt in het water. De buurman ziet

hem verdwijnen.

De volgende ochtend wordt de boot gevonden, leeg.

De man is nergens te vinden. De buurman blijft

wachten. De radio blijft stil. De stad herstelt

zich, maar niemand spreekt over de laatste

boodschap.