De man loopt door de verlaten wijk, waar de
huizen zijn ingezakt alsof de stad zelf
ademhalen wilde. Zijn voeten raken het stof van
de jaren vóór de oorlog, maar het is niet die
tijd die hem beangstigt. Het is de stilte. De
wind draagt geen geluiden meer, alleen het
geritsel van bladeren die nooit gevallen zijn.
Hij ziet het bord: Geen toegang. Het staat op
een plek waar niemand moet komen. Toch blijft
hij staan. De regering heeft de gebieden rondom
de oude bossen gesloten na de laatste
ontploffing. Niemand weet wat er gebeurde, maar
iedereen weet dat de natuur zich verzet.
Hij klimt over de heuvel, waar de bomen nog
rechter staan dan in de stad. De lucht is dik,
alsof de lucht zelf tegen hem protesteerde. Hij
ziet een klein huis, half ondergronds, met ramen
die glimmen alsof ze iets zien wat hij niet kan
zien. Iemand woont hier. Iemand die niet wil
worden gevonden.
In het huis vindt hij een map. Er staat geen
naam op, alleen een datum: 1943. Een foto van
een groep mensen die niet in het boekje passen.
Ze lachen, maar hun ogen zijn leeg. Hij herkent
het gezicht van zijn vader. Het is niet mogelijk.
Maar het is ook niet onmogelijk.
De regering heeft een wet afgekondigd: niemand
mag het bos binnen zonder toestemming. Wie het
doet, wordt beschouwd als een bedreiging. Hij
weet dat hij nu een bedreiging is. Hij legt de
map terug, maar een brief valt uit. Het is een
verklaring: We zijn niet de eerste, en we zullen
niet de laatsten zijn.
Hij rent naar de rand van het bos. De bomen
beginnen te trillen. Niet van de wind, maar van
iets anders. Een geluid. Niet van mensen. Niet
van dieren. Het is het geluid van een stad die
haar eigen geschiedenis probeert te vergeten.
Hij hoort het niet meer. De natuur heeft hem
geaccepteerd. Of misschien is hij al verdwenen.
De bomen houden hem vast, en de stad ziet hem
niet meer. De regering zegt dat de bossen veilig
zijn. Maar hij weet dat het niet zo is. De
natuur heeft haar eigen wetten. En deze keer is
de cultuur aan de andere kant.


