De lucht ruikt naar zout en verbrand hout. In
een oude schuur aan de rand van een verlaten
haven, wordt een klok opgekruld in een stukje
papier. De man met het litteken op zijn wang
legt het neer en kijkt naar het tijdstip: 03:17.
Hij weet wat dit betekent.
De regering heeft de tijd geregeld. Iedereen
krijgt een maand om te kiezen: terug naar de
oorlog of naar een nieuw land zonder
herinneringen. De klok is het symbool van de
keuze. De man heeft geen keus meer. Zijn naam is
niet meer van belang.
Hij ontmoet haar bij het water. Ze draagt een
witte jurk, net als de dag dat ze hem liet
stikken in de nacht. Ze zegt niets. Hij ziet
haar ogen. Ze weet wat hij moet doen.
Het station is leeg. De trein komt pas over
twintig minuten. Hij haalt de klok tevoorschijn
en houdt hem tegen het licht. Er zit een briefje
in. Het is geschreven in een handschrift dat hij
kent, maar niet herkent. Het zegt: Je kunt niet
ontsnappen aan wat je hebt gedaan.
Hij loopt door de gang. Een agent zit achter een
bureau. De man houdt de klok omhoog. De agent
zegt niets. Hij pakt een pen en tekent een
cirkel rond het tijdstip. De klok begint te
trillen. De agent staat op. De man weet dat dit
het einde is.
De klok valt op de grond. Het glas barst.
Binnenin zit een klein plaatje: een meisje met
donker haar, glimlachend. De man herinnert zich
de dag dat hij haar had moeten redden. Hij
herinnert zich de dag dat hij het niet deed.
De agent pakt de klok op. De man loopt weg. De
trein rijdt weg. De klok blijft liggen. Iemand
anders vindt hem. Iemand anders kiest.
De tijd is niet meer van hem. Maar de
herinnering wel.


