De kerkdienst is afgelopen. De pastoor zegt
niets over het vuur dat de nacht eerder had
vernietigd het huis van de vrouw. Ze loopt door
de straat met een oude map onder haar arm, het
papier knettert bij elke stap. Een man met een
schoudertas vol boeken staat op de hoek. Ze
herkent hem niet, maar hij kent haar naam. Ze
houdt stil. Hij laat zijn tas vallen. Het geluid
is scherp in de stille avond.
De man is een leraar die in de jaren dertig was
verbannen. Zijn werk wordt nu beschouwd als
subversief. Hij heeft geen plek meer in de
samenleving, maar hij weet iets over de vrouw.
Ze heeft een broer die in 1943 verdween tijdens
een reis naar het oosten. De man weet waar hij
is. Ze vraagt niet hoe hij dat weet. Hij legt
een kaart op tafel. Er staan geen namen, alleen
een landbouwterrein en een oud fort. Ze moet
erheen gaan. Hij zegt dat ze alleen kan. Ze
neemt de kaart mee.
De weg naar het landbouwterrein is gesloten. De
regering heeft het gebied afgezet voor
‘veiligheid’. Ze klautert over een hek. De grond
is nat. Een oude treinrails ligt verlaten in het
gras. Ze hoort een stem achter haar. Een jonge
soldaat. Hij zegt dat ze hier niet mag zijn. Ze
zegt dat ze iets zoekt. Hij vraagt wat. Ze
antwoordt niet. Hij kijkt naar de kaart. Hij
herkent het fort. Ze vraagt of hij daar ooit
geweest is. Hij zegt ja. Ze vraagt waarom hij
niet terugkeerde. Hij zegt dat hij niet kon. Ze
vraagt of hij haar kan helpen. Hij zegt dat hij
haar niet mag helpen. Ze zegt dat ze het weet.
Hij blijft stil. Ze loopt door.
Het fort is verlaten. Binnen zijn de muren vol
met krabbels. Ze leest ze. Ze herkent de
handtekening van haar broer. Een brief ligt
onder een steen. Het is geschreven in het Frans.
Ze begrijpt het niet allemaal, maar ze weet dat
het over een oproep gaat. Een groep mensen die
zich verbergen. Ze hoort een geluid achter haar.
De soldaat staat in de deuropening. Hij zegt dat
ze moet vertrekken. Ze zegt dat ze niet weggaat.
Hij zegt dat ze niet moet blijven. Ze zegt dat
ze niet bang is. Hij zegt dat hij haar niet kan
beschermen. Ze zegt dat ze het zelf wil weten.
Ze vindt een kist onder een vloerplank. Er zit
een document in. Het is geadresseerd aan een
andere vrouw. Ze herkent de naam. Het is de
moeder van de soldaat. Ze leest het document.
Het is een verklaring over een geheime
overeenkomst tussen de oorlogsmachine en een
groep intellectuelen. Ze begrijpt dat haar broer
werd gebruikt. Ze begrijpt dat de soldaat ook
gebruikt werd. Ze begrijpt dat de vrouw die de
brief ontving nooit terugkwam. Ze legt het
document terug. Ze loopt naar buiten. De soldaat
wacht. Ze zegt dat ze het weet. Hij zegt dat ze
het nooit mag vertellen. Ze zegt dat ze het wel
zal vertellen. Hij zegt dat ze dan dood is. Ze
zegt dat ze al dood is. Ze loopt weg. De soldaat
blijft staan. De wind waait door de ruïne. Het
is donker geworden. De kerkklok slaat twaalf
keer.


