De stroom van elektriciteit in Amsterdam wordt

op 23 april 1937 onverwacht onderbroken. Een

technicus bij de gemeentelijke energiebedrijven,

Joris van den Berg, ontdekt een vreemd patroon

in de stroomleidingen — een herhalende pulsvorm

die geen menselijke hand heeft gegenereerd. Hij

noemt het "de zang van de tijd".

In de week daarop beginnen mensen met

verliesgevoelens en herinneringen aan

gebeurtenissen die nooit zijn gebeurd. Een

schoolmeester vergeet waar hij is, een moeder

herinnert zich een kind dat nooit geboren is. De

stad raakt in verwarring, terwijl de stroom weer

opnieuw stopt, elke keer op dezelfde dag.

Joris ontdekt dat de pulsen van de tijd een

mechaniek zijn: een vorm van tijdsprong die via

elektriciteitsnetwerken werkt. Hij bouwt een

apparaat dat deze signalen kan opvangen en

interpreteren. De eerste test levert een visioen

op: een land zonder oorlog, waar de kolonies nog

steeds onder Nederlandse heerschappij staan.

Maar toen hij terugkeert, is de realiteit

veranderd. Het station waar hij werkt is nu een

monument voor de oorlogsheld Jan van Hout. Zijn

eigen ouders zijn niet meer getrouwd, en zijn

vader woont in een kamp in Java. De regering

heeft een nieuwe wet aangenomen: iedereen moet

een "tijdsgelijkheidspas" dragen, een

chip die

bepaalt of je toegestaan bent om te reizen in de

tijd.

Joris probeert het apparaat te vernietigen, maar

de pulsen worden sterker. Iemand anders gebruikt

hetzelfde mechanisme, en de tijd begint te

vervagen. De stad verdwijnt in een wolk van

herinneringen, en de lucht kleurt rood alsof het

einde van de wereld nadert.

Hij besluit om naar de oorsprong te gaan — de

plek waar de eerste puls werd gestuurd. In een

oude fabriek buiten de stad vindt hij een

schriftje van een onbekende, geschreven in een

taal die hij niet herkent. Het eindigt met een

waarschuwing: "De tijd is geen pad, maar een

spiegel."

Op de ochtend van 23 april 1937, net voordat de

stroom uitvalt, neemt Joris het apparaat mee

naar de elektriciteitscentrale. Hij zet het aan,

en de tijd breekt. De stad blijft stil, alsof

alle mensen opnieuw beginnen. Maar de pulsen

houden op. De wereld is weer normaal — of

tenminste, zoals het was voordat hij er iets aan

deed.