De lucht hangt zwaar boven de haven van Batavia,
1932. De scheepshouders zijn leeg, de werfstaken
gestopt. De Indische polder is uitgedroogd, de
grond broos. De koloniale rekening wordt
afgetikt. Een man komt aan op de oude kade,
zonder bagage, met een litteken op zijn borst
dat bloedt als de wind oostelijk komt. Zijn naam
noemt hij niet.
Hij laat een voetspoor achter dat zich niet
verdwijnt, ook niet bij regen. Iedereen die hem
raakt, merkt dat hun gedachten langzamer worden —
alsof tijd erop klautert. Het is geen gewoonte,
maar een wet: wie hem aanraakt, vergeet één
herinnering. Niet per ongeluk. Opzettelijk. Als
een prijs.
De vloek werkt niet via spreken. Hij werkt door
aanraking. De eerste dode is een jonge schipper,
die haar kind wilde uitleggen waarom de kade
geïnfecteerd was. Ze hield zijn hand vast. Toen
ze wakker werd, kon ze zich niet meer herinneren
hoe hij heette. Haar hart sloeg nog, maar haar
geheugen lag dood op de wal.
In de stad groeit de stilte. Mensen raken elkaar
minder aan. Gezinssfeer wordt een gevaar.
Kinderen leren te knikken, niet te omhelzen. De
mensen beginnen te denken in termen van verlies.
Wat verliest men als men de vreemdeling ontmoet?
Hoeveel is het waard om te leven?
Op een avond, in een halve nacht waarin de zon
zich weigert op te gaan, loopt de vreemdeling
naar de oudste lamp op de kade. Hij steekt zijn
hand uit, maar houdt hem boven het vuur. Het
licht glijdt langs zijn vingers. Hij slaat geen
vuur aan. Maar de lamp brandt plotseling zonder
olie. En in het licht zie je: zijn litteken
heeft zich uitgebreid. Het kruipt onder zijn
huid, ziet eruit als een kaart.
Toen hij weggaat, is er geen spoor. Maar de kade
staat vol met mensen die stilstaan. Zij
herinneren zich niets meer. Niets van vóór.
Niets van later. Alleen het gevoel van een
verloren hand.
Het blijft zo. De vloek eindigt niet. Hij
verandert alleen. Nu is het niet meer alleen het
aanraken. Het is het zien. Wie hem ziet, vergeet
een moment — één moment — waarin hij iets had
willen zeggen.
In de loop van maart 1933 gaat de vloek verder.
De vreemdeling is verdwenen. Maar de kade is
niet leeg. Er staan mensen. Die kijken. Die
wachten. En in hun ogen: geen angst. Alleen het
verlangen om terug te kunnen denken.
Niemand weet meer hoe het voelt om echt te leven.
Maar iedereen weet nu precies hoe het voelt om
te verliezen.


