De klok in het centrale station breekt. Niet

door slijtage, maar door een onzichtbare kracht

die de uren verdraait. De stad blijft stilstaan,

maar de mensen lopen door alsof niets gebeurd is.

Niemand ziet het verschil.

Hij werkt als controleur. Zijn taak is het

vaststellen van tijden en routes. Hij merkt dat

bepaalde personen op verschillende momenten

tegelijkertijd zijn. Een ambtenaar verdwijnt,

herontdekt hij in een andere wijk, maar met een

andere datum op zijn paspoort. Hij vangt een

glimp van een man die nooit bestond, maar die

wel de nieuwe hoofdfunctionaris is geworden.

De regering maakt geen melding van het fenomeen.

Alleen hij ziet het. Hij probeert te onderzoeken,

maar elke vraag leidt naar een ander tijdstip.

Hij wordt gedwongen om te handelen zonder

duidelijke richting. Een vrouw met een

identiteitscrisis, die zichzelf niet herkent in

de wereld die ze ooit kende, weet iets. Ze

vertelt hem dat de klok een

vergankelijkheidssysteem is, een manier om macht

te houden door tijd te manipuleren.

Hij moet kiezen: de waarheid delen of meewerken

aan het systeem. Hij kiest voor de waarheid.

Maar de klok reageert. Het station verandert in

een ruimte zonder tijd. Hij wordt vastgehouden

tussen tijdstippen, geen begin, geen einde. De

klok stopt voor altijd. De stad blijft stilstaan,

maar nu is hij de enige die het ziet. De politie

zoekt naar een verdwijning, maar hij is al lang

weg. De klok is uitgebrand, en met hem is de

macht gebroken.