De stad ligt onder een glas van stilte, waarin
iedereen leeft alsof de oorlog nooit heeft
bestaan. De straten zijn vol met herinneringen,
maar geen enkel moment wordt echt herleefd.
Een man wacht op een trein die nooit komt. Hij
heeft geen naam, alleen een functie: hij is de
laatste keeper van de tijdsprong. Iedere keer
dat hij het apparaat aanzet, verandert de wereld.
Niet in ruimte, maar in tijd. De regels zijn
simpel: je mag niet blijven, je mag niemand
waarschuwen, en je mag geen liefde voelen.
Hij ontmoet haar in een andere eeuw. Ze draagt
een rok van linnen, zegt geen woord, maar kent
zijn gezicht. Ze is een schaduw van iets dat nog
niet is gebeurd. Hij weet dat hij haar niet mag
vasthouden, maar hij doet het toch. De tijd
stopt. Het apparaat breekt.
De regering ontdekt het. Een nieuwe wet wordt
ingevoerd: elke tijdsprong moet worden
gemarkeerd met een bloedstrop. Wie het niet doet,
wordt als verraadster beschouwd. De dromer wordt
gearresteerd. Zijn handen worden verbonden met
een touw dat naar de toekomst wijst.
Zij komt terug. Ze weet wat er is gebeurd. Ze
heeft hem gezien, ook al was hij niet echt. Ze
maakt een brief, legt hem in een kist, en zet
het op een boot die nooit zal aankomen. De
regering vindt de brief. Ze wordt verdacht van
tijdsvervalsching. Ze wordt gescheiden van haar
kinderen.
De dromer sterft in de cel. Zijn lichaam wordt
begraven in een graf zonder naam. Maar de tijd
blijft werken. De brief drijft af. De vrouw
leest hem. Ze begrijpt. Ze verlaat de stad. Ze
zoekt een plek waar de tijd niet kan komen.
De stad blijft staan. De tijdsprong is verbannen.
Maar in de nacht horen de mensen stemmen. Ze
zeggen dat de tijd niet is verdwenen, alleen
verstoppen.


