De visioenen beginnen bij de kust. Hij ziet een

stad die niet bestaat, met straten van glas en

licht, waarin mensen zonder gezichten wandelen.

Het is een plek uit een verhaal dat hij nooit

heeft gelezen. Zijn vader, een schrijver in de

interbellum, had erover gesproken als een

legende, een droom die geen realiteit kon zijn.

Maar de droom wordt steeds duidelijker, alsof

het land zelf probeert te spreken.

Hij begint te geloven. Zijn handen trillen als

hij het verhaal opschrijft, alsof het iets leeft.

De kranten roepen om moreel, de regering zoekt

naar rust in het onzekere tijdperk. Hij weet dat

hij moet wachten tot de maan vol is, want dan

verschijnt het land voor de eerste keer echt. De

regels zijn duidelijk: alleen wie zichzelf kan

accepteren, mag erheen gaan. Wie de waarheid

ontdekt, blijft er. En wie terugkeert, verandert

voor altijd.

De nacht van de volle maan, hij stapt door de

spiegel. De stad is groter dan hij zich kon

voorstellen, met gebouwen die zich aanpassen aan

zijn gedachten. Hij ziet zijn vader, die hem

herkent en zegt: "Je bent hier om te leren, niet

om te vluchten." Maar de stad is niet veilig. Er

zijn anderen die ook zijn dromen hebben gevolgd,

en ze willen hem tegenhouden. Ze zeggen dat het

land een gevangenis is, dat het verleden geen

vergeving kent.

Hij ontdekt een boek in een bibliotheek van

licht. Het vertelt over een oorlog die nooit

gevochten werd, over een volk dat verdween door

te veel dromen. Hij leest het en voelt het als

een bloedstroom in zijn aderen. Het land begint

te vervagen. Hij moet kiezen: blijven en het

verleden vergeten, of terugkeren en het verhaal

delen. Hij kiest voor het laatste.

Terug in de echte wereld, hij zit in een kamer

met papier en pen. De droom is weg, maar de

herinnering blijft. De kranten schrijven over

een nieuwe schrijver, iemand die het verleden

heeft geraakt. Niemand weet wat hij heeft gezien.

Maar hij weet het. En hij schrijft het op, voor

degenen die nog dromen.