De stad verandert in een nacht. Muren worden
zacht, lucht zwaar. De lucht is vol van een
geluid dat geen mens ooit heeft gehoord. Mensen
staren naar de hemel, waar een vorm zich vormt
die geen ster is, geen maan, geen wolk. Het is
iets nieuws. Iets dat geen naam heeft.
De man blijft staan. Hij heeft geen keuze. Zijn
lichaam reageert niet op het geluid. Zijn ogen
zien het, maar zijn hersenen kunnen het niet
verwerken. Hij is de enige die niet onder de
indruk raakt. Hij ziet het gebeuren, maar voelt
niets. Hij is de stille getuige.
De regering sluit de stad af. Er wordt gezegd
dat het een technologische storing is. Niemand
mag erover praten. Maar de man weet het: het is
geen storing. Het is een verandering in de
wereld. De lucht is anders geworden. De tijd
loopt langzamer. Mensen worden zwaarder, alsof
ze worden ingeslepen in een nieuw systeem.
Hij probeert te vluchten. De poorten zijn dicht.
Een bewaker zegt dat hij niet mag vertrekken. De
man zegt niets. Hij houdt zijn mond. Hij weet
dat het nutteloos is. Hij is de stille getuige.
Hij ziet wat anderen niet zien. Hij hoort wat
anderen niet horen. En hij weet dat hij nooit
meer zal kunnen praten, want als hij zijn mond
opent, gaat hij niet meer stoppen.
De regering brengt hem naar een plek waar
niemand hem kan horen. Ze zeggen dat hij veilig
is. Ze zeggen dat hij niet meer hoeft te kijken.
Maar hij ziet toch. Hij ziet dat de stad
zichzelf hermaakt. Dat de muren verdwijnen en
nieuwe vormen aannemen. Dat mensen zich
veranderen in iets dat geen mens meer is.
Hij krijgt een keuze. Hij moet kiezen tussen het
oude leven en het nieuwe. Als hij blijft,
verandert hij. Als hij gaat, verandert hij ook.
Maar hij weet dat hij nooit meer terugkomt. Hij
is de stille getuige. Hij heeft al gekozen. Hij
is al veranderd. En hij weet dat niemand hem zal
begrijpen. Niet nu. Niet ooit.


