De stad ligt onder een glazen koepel, gemaakt
van herwinde zonnestralen. De lucht is rein,
maar de regels zijn strak. Iedere burger draagt
een chip in de arm die hun gedrag bepaalt. De
vrouwen mogen geen stemmen geven, alleen
luisteren en volgen.
Een vrouw, die altijd aan de zijde van een man
stond, ontdekt dat hij verdwenen is. Ze weet
niet waarheen, maar ze weet dat hij nooit zonder
haar zou vertrekken. De regels zeggen dat ze
moet wachten. Maar de lucht boven de stad begint
te trillen, alsof iets zich losmaakt uit de
grond.
Ze vindt een brief in zijn kamer, geschreven in
een oude taal. Het zegt dat de koepel niet
veilig is, dat de chips niet werken zoals ze
denken. Ze besluit om te gaan. De regels
verbieden het, maar ze heeft niets meer te
verliezen.
In de ondergrondse tunnels ontmoet ze anderen
die ook ontkomen zijn. Ze leren dat de stad op
een systeem is gebouwd dat niet meer werkt. De
machines die de lucht rein houden, sterven. De
chips beginnen te falen. Iedereen die in de stad
blijft, wordt opgeslokt door het verval.
Ze moet kiezen: terugkeren naar de koepel en
veiligheid, of verder gaan naar de buitenwereld,
waar niemand weet wat er gebeurt. De andere
vrouwen hebben al gekozen. Ze staan achter haar,
want ze weten dat de wereld buiten de stad
anders is.
Ze loopt door de tunnel, de lucht kalt en zwaar.
Aan het eind ziet ze een licht dat niet van de
stad komt. Ze hoort een stem, niet van een
machine, maar van iemand die haar naam zegt. De
regels zijn kapot. Het moreel is vervallen. Maar
er is nog steeds ruimte voor keuzes.


