De man komt terug naar Amsterdam na vijf jaar in

de bergen. Zijn gezicht is kaal, zijn ogen zwaar.

Hij heeft geen paspoort, geen geld, alleen een

briefje met een adres en een naam: "Van den

Berg". De stad is veranderd. De straten zijn

breder, de mensen zwijgen meer. Het is 1935, en

de oorlog is nog niet gekomen, maar het gevoel

ervan hangt als roet aan de lucht.

Hij zoekt werk bij een boekhandel. De eigenaar,

een oudere man met een zware stem, neemt hem in

dienst. De winkel ligt in een oude wijk, waar

het stof van vroeger nog in de sponzen zit. De

man werkt zonder vragen te stellen. Tot hij een

boek vindt – een schriftje met krabbels,

verborgen in een kast. Het is geschreven in een

handschrift dat hij herkent. Zijn eigen hand.

Maar de woorden zijn niet van hem. Ze vertellen

van een overval, van een verlies, van een keuze

die hij nooit maakte.

Hij begint te vragen. Iedereen wijkt af. De

eigenaar zegt niets. Een klant zegt: "Laat het

rusten." Maar de man weet dat iets niet klopt.

Hij vindt een andere kopie van het schriftje,

verstopt in een boek over de oorlog. Er zit een

foto bij – een groep mensen, onder wie zijn

vader, met een pistool in de hand. De man

herkent zichzelf op de achtergrond, jonger, met

een lege blik.

Hij gaat naar het politiebureau. De agenten

houden hem tegen. Er is een regel: geen vragen

over de jaren 19141918. De man weet niet wat dat

betekent. Hij wordt weggestuurd. De volgende dag

krijgt hij een brief. Het is van de eigenaar.

"Je weet te veel," staat er. "Ga

weg voor het te

laat is."

Hij blijft. Hij zoekt verder. In een archief

vindt hij een rapport over een overval in 1919.

De doelwitten waren drie mensen: een dokter, een

journalist, en een lid van het parlement. De man

herkent de namen. Hij had ze gekend. De overval

was geslaagd. De drie zijn verdwenen. De man had

de aanslag gepland. Maar hij weet het niet. Hij

herinnert zich alleen het vuur en het geluid van

het pistool.

Hij loopt naar het station. De trein naar

Utrecht rijdt net weg. Hij rent, grijpt de deur.

Binnen ziet hij een vrouw met hetzelfde gezicht

als hij. Ze kijkt hem aan. Ze zegt niets. De

trein rijdt verder. De man valt op de grond. Hij

weet nu dat hij geen overlevende is. Hij is een

vergeten persoon. Een spook. En de tijd draait

terug.