In 1932 verlaat Pieter van den Berg de provincie
om in Amsterdam te werken als archivaris bij een
klein persoonlijk dossierbedrijf. Hij krijgt een
brief van een vroegere vriendin, Annemarie, die
hem vraagt om een oude map te vinden die in het
archief is opgeslagen. De map bevat documenten
over een verdwenen familie, de Dreesmans, en hun
verblijf in de kolonies.
Pieter weigert, maar wordt gedwongen door zijn
baas, die de map wil gebruiken voor een nieuwe
klant. De map blijkt leeg, behalve een
handgeschreven brief met een adres in de
Oostelijke wijken van Amsterdam. Pieter zoekt
het adres op, waar hij een oud huis vindt dat
verlaten is sinds de oorlog. Binnen vindt hij
een koffer met foto’s, krantenknipsels, en een
notitieboekje. Het boekje bevat details over een
verloren kind, een vermoorde man, en een geheime
overeenkomst tussen Nederlandse autoriteiten en
lokale leiders in de Indische archipel.
De informatie zet Pieter onder druk. Zijn baas
dreigt met ontslag als hij niet meewerkt aan een
nieuw project: een reeks verhalen over
"vergeten" geschiedenis voor een nieuw
tijdschrift. Pieter weigert, maar wordt gevolgd
door een onbekende man die hem in een donkere
steeg aanspreekt. De man herinnert zich Pieter
als een jonge leerling in de oorlog, en zegt dat
de Dreesmans zijn familie zijn.
Pieter besluit de waarheid te achterhalen. Hij
zoekt de laatste overlevende van de Dreesmans,
een oude vrouw die in een verpleeghuis woont. Ze
herinnert zich de jaren voor de oorlog, en
vertelt dat haar broer werd vermoord door een
Nederlands functionaris die wou voorkomen dat de
Dreesmans hun land terugkregen. De vrouw geeft
Pieter een sleutel en een adres in de stad.
Op het adres vindt Pieter een schuilplaats waar
de Dreesmans hun geheime activiteiten hielden.
Daar vindt hij een verslag van een samenzwering
en een lijst met namen van mensen die betrokken
waren. De lijst bevat ook de naam van zijn eigen
vader, die in de oorlog verdween. Pieter neemt
de documenten mee, maar wordt aangehouden door
een politieagent die zegt dat hij "niet moet
gaan zoeken waar hij niet mag zoeken".
De volgende dag verschijnt het tijdschrift met
een artikel over "vergeten
geschiedenis", zonder
naam of bron. Pieter krijgt een brief van een
anonieme afzender met een foto van zijn vader en
een tekst: "Je bent geen klimmer. Je bent een
herinnering." Hij stopt met zijn werk en verlaat
Amsterdam, maar blijft in het land. Hij begint
een nieuw leven als leraar in een klein dorp,
waar niemand weet wie hij was.


