De archeoloog zoekt naar sporen van een verloren

stad in het oosten van het land. Hij vindt een

grot met stenen tafelen, waarop taal staat die

niemand herkent. De tekst bevat een oud ritueel

dat volgens de legende moet worden uitgevoerd om

de ziel van een dode te bevrijden. Hij neemt

foto's en maakt aantekeningen, maar de lokale

gemeenschap weigert hem te helpen. Ze spreken

niet over de plek.

Hij probeert de taal te ontcijferen met een oude

leraar, die alleen spreekt in raadsels. De

leraar wijst op een oude kaart, waarop de stad

is getekend onder een ander naam. De archeoloog

begrijpt dat de stad niet verdwenen is, maar

verzwolgen door een andere cultuur. Hij vindt

een oude kruidenier die hem vertelt dat de

rituelen nog steeds worden uitgevoerd, maar

onder andere vorm.

De archeoloog besluit het ritueel zelf uit te

voeren, in de hoop iets te ontdekken. Hij brengt

de juiste kruiden mee en zet een cirkel van

stenen neer. Tijdens het ritueel hoort hij een

stem die zijn eigen stem lijkt, maar met een

zwaar accent. De leraar verschijnt plotseling en

zegt dat de rituelen geen magie zijn, maar

herinneringen. De archeoloog had nooit moeten

komen.

De leraar zegt dat de stad niet bestaat, maar

dat de mensen erin leven. De archeoloog beseft

dat hij zichzelf heeft herkend in de stem. Hij

ontdekt dat zijn voorvader een van de laatste

drager van het ritueel was, en dat de stad een

symbolische plek is voor iedereen die zich

verloren voelt. Hij besluit het ritueel niet af

te maken, maar te delen met de gemeenschap.

De leraar verdwijnt. De archeoloog laat de

foto's en aantekeningen achter in de grot,

zonder te vertellen wat hij heeft ontdekt. Hij

keert terug naar de stad, waar niemand hem

herkent. De leraar had gelijk: de stad leeft in

de herinnering van de mensen, niet in de stenen.