Een vrouw wacht op het station. Haar hand rust
op de schouder van een jongen. De lucht ruikt
naar roet en zweet. De trein komt niet. Ze kent
het ritme van de stilte, de spanning die zich
opbouwt als een onweer. Ze noemt hem niet bij
naam. Hij is haar zoon, maar ze weet niet meer
hoe hij heet.
De stad heeft geen namen meer. Alleen nummers op
de gebouwen. De mensen lopen met koppen gebogen,
alsof ze hun eigen schaduw volgen. De vrouwen
dragen zwarte jassen en stappen op blote voeten.
Ze hebben geleerd om te zwijgen. Te kijken. Te
wachten.
Ze herinnert zich een tijd waarin de straten nog
leken te bloeien. Toen de lantaarns nog licht
gaven, niet alleen warmte. Toen de kinderen nog
mochten lachen. Nu zijn de lantaarns kapot. De
kinderen zijn verdwenen. De lucht is dik
geworden, alsof de hemel zelf ziek is.
Ze ziet het meisje in het donker. Een vleugje
rood in de massa. Het meisje rent. Ze houdt haar
adem in. Het meisje valt. Een man springt naar
voren. Zijn gezicht is vervormd door het licht
van een vuur. De vrouw hoort niets. Alleen het
geluid van haar hart, snel en zwaar.
De stad reageert. De lantaarns knipperen. De
mensen raken in paniek. De man pakt het meisje
op. Zijn ogen zijn open, maar hij ziet haar niet.
Ze ziet zijn mond bewegen, maar er komen geen
woorden uit. Alleen een zucht, alsof hij een
geest is die zichzelf probeert te herinneren.
De vrouw loopt naar het meisje. Ze legt haar
hand op haar hoofd. De meisjes haren zijn nat.
Ze herkent het gevoel van water, van een nacht
waarin ze zelf ook had gehuild. Ze weet niet
waarom ze dit doet. Maar ze doet het.
De lantaarns gaan uit. De stad wordt donker. De
mensen staan stil. De man laat het meisje los.
Zijn lichaam valt op de grond. De vrouw buigt
zich over hem. Ze ziet dat hij dood is. Of
misschien is hij al lang dood geweest.
De stad blijft stil. De lucht blijft dik. De
vrouw draagt het meisje naar huis. Ze weet niet
waar dat is. Ze weet alleen dat ze moet lopen.
Dat ze moet blijven lopen. Tot ze iets vindt wat
nog leeft.
De stad is een droom geworden. En zij is de
dromer. Maar de droom heeft haar gevangen. Ze
moet kiezen: haar kind beschermen, of de stad
redden. Of beide verliezen.


