De lucht boven Amsterdam stinkt naar roet en
verrotte groenten. De straten zijn smal, het
licht zwak. Iedereen kent elkaar, maar niemand
spreekt meer over wat er gebeurde.
Een jonge man met een verbrande arm loopt door
de ruïnes van een oud station. Hij heet Jan, en
hij zoekt zijn vader. De man die hem ooit
vertelde dat de wereld nooit zou veranderen.
In de ondergrondse bunker waar de vader
verblijft, staat een kaart op tafel. Rode lijnen
lopen vanaf de haven naar de centrale
elektriciteitscentrale. Een regeringssleutel
ligt naast een veldfles met een beetje water. De
vader zegt niets. Hij heeft al jaren geen
woorden meer gebruikt.
Jan hoort geruis in het donker. Hij draait zich
om. Een meisje met een gescheurd jasje staat in
de deuropening. Ze houdt een mes vast. Ze heet
Annet, en ze zegt dat ze hierheen is gekomen om
te vechten. De vader kijkt haar aan. Zijn ogen
zijn leeg, maar zijn hand trilt.
De volgende dag ontdekt Jan dat de
elektriciteitscentrale is gestolen. Een groep
mensen, gekleed in zwarte jassen, heeft het
systeem overgenomen. Ze noemen zich de Wachters.
Ze zeggen dat ze de orde herstellen. Ze zeggen
dat de wereld nu moet worden gereinigd.
Jan wordt gearresteerd. Hij wordt meegenomen
naar een oude schoolzaal. Er staan stoelen in
een cirkel. Een man met een bril en een rode das
zegt dat de vader niet meer bestaat. Dat hij in
de nacht is verdwenen. Dat hij nooit had moeten
blijven.
Annet komt terug. Ze brengt een foto mee. Het is
een foto van de vader, met een andere man. Ze
zegt dat ze weet wie hij is. Ze zegt dat ze weet
waar hij is. Ze zegt dat ze moet gaan. Ze zegt
dat ze niet wil dat Jan haar vraagt waarom.
De vader verschijnt in de nacht. Hij heeft een
wond in zijn borst. Hij zegt dat de Wachters het
land willen beheersen. Dat ze de wetten van de
oude tijd willen herstellen. Dat ze denken dat
de toekomst veiliger is als iedereen gelijk is.
Jan neemt het mes van Annet. Hij rent naar de
centrale. Hij ziet de lichten flikkeren. Hij
ziet de mensen die daarbinnen werken. Ze zijn
bang. Ze hebben geen keuze. Hij doet het deksel
open. Hij ziet de draden, de kabels, de machine
die het licht geeft.
Hij snijdt een kabel door. De lichten doven. De
stad wordt donker. De Wachters komen. Ze zien
hem niet. Ze zien alleen het duister. Ze zien
alleen de chaos.
De vader valt. Hij zegt niets. Hij lacht. Hij
zegt dat hij eindelijk vrij is.
De stad blijft donker. De lichten komen niet
meer. De Wachters verdwijnen. De mensen blijven
in hun huizen. Ze kijken naar buiten. Ze zien
niets. Ze horen niets. Ze leven.
De vader sterft in zijn slaap. Jan laat hem
liggen. Hij loopt naar de rivier. Hij ziet het
water. Hij ziet het licht van de maan. Hij ziet
niets anders. Hij ziet niemand. Hij blijft staan.
Hij wacht. Hij wacht tot het licht weer komt.


