De kluizenaar leeft in een stukje onverwoeste
grond tussen de ruïnes van de oorlog. Hij weet
dat de wereld niet meer is wat het was — geen
stad, geen regering, geen netwerk. Alleen hij en
zijn machines.
Hij bouwt een generator die licht kan maken
zonder brandstof. Het is een eindeloos klein
ding, maar het werkt. De lucht is dik met as,
maar het apparaat zorgt voor een vaste straal
van blauw licht in zijn schuilplaats.
Een week later komt een groep mensen. Ze hebben
geen wapens, alleen honger. Ze zien het licht en
komen dichterbij. De kluizenaar maakt het
apparaat stil. Ze blijven staan. Ze vragen om
eten. Hij geeft niets. Ze gaan weg.
Twee dagen later breken ze terug. Ze dragen een
mes en een touw. Ze willen de generator. Hij
zegt nee. Ze trekken hem naar buiten. Ze geven
hem een keuze: het apparaat delen of sterven.
Hij breekt het apparaat. De lichtstraal
verdwijnt. Ze kijken verward. Ze lopen weg. Hij
blijft alleen.
In de nacht begint het weer te regenen. De as
wordt nat en zwaar. Hij vindt een stukje metaal
in de puinen. Hij maakt er een nieuw apparaat
van. Het werkt niet goed. Maar hij probeert het
opnieuw.
Het is niet hetzelfde als vroeger. De wereld is
anders geworden. Hij moet leren om te leven
zonder licht. Of misschien moet hij leren om te
leven zonder het.
De generator is dood. Maar hij leeft nog.


